is toegevoegd aan uw favorieten.

Het rechterlijk toetsingsrecht tegenover de verordenende bevoegdheid van den gemeenteraad

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

tapperijen, ook al werden daarbij onder tapperijen gerekend de huizen en plaatsen, alwaar het bedrijf van tapper wordt uitgeoefend, dus ook de niet voor het publiek toegankelijke gedeelten of die gedeelten, welke daarmede ten nauwste samenhingen.

Volgens het arrest van 3 December 1894 was echter niet rechtsgeldig een Rotterdamsche verordening, regelende het onderling verkeer der leden van een gesloten gezelschap, als missende elk karakter van openbaarheid, daar zij noch betreft de openbare orde, noch de openbare zedelijkheid, noch de openbare gezondheid en evenmin iets gemeen heeft met de huishoudingder gemeente. Het woord „openbaar" wordt hier dus weder eng opgevat en niet zoo ruim als in de arresten van 24 Juni 1918, 21 Maart 1921 en 26 Maart 1928 betreffende winkelsluitingsverordeningen, hoewel het groepsbelang van de leden van een gesloten gezelschap toch ook wel met een of andere regeling gemoeid kan zijn. *)

lTTn dit verband is het de moeite waard op te merken hetgeen De Vries t. a p. blz. 94 schreef naar aanleiding van het arrest van den hoogen raad van 5 December 1843 (W 644). Artikel 146 van het reglement van plaatselijke politie, veiligheid en openbare orde voor de grietenij Wonseradeel bepaalde, dat des avonds, met den klokslag van 10 ure, alle logementen, sociëteiten, herbergen, koffijhuizen, tapperijen en kroegen moesten zijö ontruimd, door diegenen, die aldaar gekomen waren met het doel, om dien avond daar door te brengen. In het arrest werd dienaangaande overwogen, dat, hoewel de plaatselijke besturen de grondwettige bevoegdheid bezaten om vrijelijk te beschikken over hunne huishoudelijke belangen, daaromtrent de vereischte plaatselijke verordeningen konden maken, voowoover dezelve niet in strijd waren met de algemeene wetten en het algemeen belang, en op grond daarvan eveneens bevoegd waren, om, ter handhaving der openbare orde rust en veiligheid, de noodige verordeningen van politie daar te stellen, zoodanige bevoegdheid echter, Uit den aard der zaak, was beperkt tot hetgeen in het openbaar geschiedt of naar buiten werkt, en alzoo, in den zin der grondwet, moest geacht worden de belangen bepaaldelijk van de gemeente te betreffen. Het langer of korter vertoeven in eene sociëteit of besloten gezelschap, als waarvan hier de rede was, kon bij gevolg, aldus de hooge raad, geenszins een object zijn, waaromtrent door de plaatselijke besturen binnen den kring hunner grondwettige bevoegdheid verordeningen van politie konden worden daargesteld. De Vries nu zeide, dat het niet genoeg is, dat het verbod handelingen betref», die in het openbaar geschieden, zooals deze of gene misschien uit de woorden, door den hoogen raad gebezigd, zou kunnen afleiden. lijk gezegd, doet dit niets ter zake; de politie kan zich evenzeer bemoeien met daden, die binnenshuis geschieden. Maar, hetzij die in het openbaar, hetzij die binnenshuis geschieden, de politie kan er zieh eerst dan mede inlaten, wanneer zij naar buiten werken, dat wil zeggen, wanneer zij voor de maatschappij gevaarlijke gevolgen kunnen hebben. De daad, die, hoezeef in het openbaar geschiedende, anderen niet hinderlijk of schadelijk wezen tam, mag niet verboden worden op grond, dat net plaatselijk bestuur die voor den dader zeiven nadeelig acht. Zoo kan eene politieverordening wel het rooken op de openbare straat verbieden, wanneer uit dat roouen