is toegevoegd aan uw favorieten.

Het rechterlijk toetsingsrecht tegenover de verordenende bevoegdheid van den gemeenteraad

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

hun privaat terrein beschermd worden. Men vergelijke b.v. de onder C in vermelde geldinzamelingsverboden.

Het bekende arrest van 4 April 1921 aangaande het Deventer tapverbod voor den kermistijd, ook voor sociëteiten, achtte het stellen van regelen nopens het onderling verkeer van leden van een gesloten gezelschap in een vereenigingslokaal geen algemeen gemeentebelang. In deze beslissing werd voor de zooveelste maal geen rekening gehouden met het groepsbelang van „een breede schare leden" — zooals de advocaat-generaal Tak zich in zijn conclusie uitdrukte — „en daarbuiten vele, die voor het Udmaatschap in aanmerking komen, voor welker gezondheid en zedelijkheid de raad het beter achtte, dat zij zich op dagen, die veelal tot overmoedigheid of brooddronkenheid aanleiding geven, in het vereenigingslokaal van het gebruik van sterken drank onthouden, waardoor tevens de openbare orde wordt gebaat". Ons inziens geheel ten onrechte. Het ruime begrip „openbaar", elders gehuldigd, had ons hoogste rechtscollege tot een andere uitspraak kunnen brengen; dat dit niet gebeurd is, kan weer alleen verklaard worden uit het feit, dat de hooge raad uit doelmatigheidsoverwegingen juist niet in die richting wilde gaan. De objectiveerende lutdrukkingswijze, dat een verordening als bedoeld noch de openbare orde, noch de openbare zedelijkheid, noch de openbare gezondheid betrbf en ook geen betrekking had op de huishouding der gemeente was spoedig gevonden.

Een interessant geval brengt ook het arrest van 13 Februari 1922 betreffende het algemeene vischverbod van Wilnis voor den Zondag. Ook hierin wordt de beperkte opvatting van „openbaar" gehuldigd. Het wil er bij ons niet in, dat, wanneer uitgegaan was van een ruime opvatting, geen argument voor de verbindbaarheid der bepaling gevonden zou

zijnNaar aanleiding van het Zwollerkerspelsche snoei-, knip- en

hakgebod luidde het in het arrest van 12 Maart 1928, dat

bepalingen betreffende de veiligheid van het verkeer op