is toegevoegd aan uw favorieten.

Het rechterlijk toetsingsrecht tegenover de verordenende bevoegdheid van den gemeenteraad

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

aardig, daar beide toch particuliere terreinen zullen zijn. Waarom dit onderscheid gemaakt? Talrijke der zooeven genoemde arresten verklaarden wél verbindend voorschriften, welke betrekking hadden op gedragingen in gebouwde particuliere eigendommen of daarmede gelijk te stellen inrichtingen. De afgekeurde bepaling lijkt ons ook te vérgaand toe, doch zulks wettigt toch niet de redeneering van ons hoogste rechtscollege.

Resumeerende kunnen wij derhalve de volgende opvallende gebreken aan de rechterlijke toetsing aan artikel 135 der gemeentewet opmerken:

1. de onverbmdendverklaring bij arrest van 29 Juni 1891 van het verbod te Kampen om anderen visch dan aan den openbaren afslag op de vischmarkt gekocht rond te venten aan de huizen der ingezetenen, hoewel soortgelijke regelingen en andere van verdere strekking ten aanzien van gedragingen, enz., zoowel op openbaar, voor het publiek toegankelijk als privaat terrein wèl aanvaard werden;

2. de verschillende motiveering voor de verbindendverklaring van winkelsluitingsregelingen;

3. de onverbmdendverklaring onderscheidenlijk bij de arresten van 3 December 1894, 8 Mei 1911, 29 November 1920, 4 April 1921, 13 Februari 1922, 12 Maart 1928 en 9 Februari 1931 van de Rotterdamsche regeling van het onderling verkeer der leden van een besloten gezelschap, de Maastrichtsche bepaling op de openlijke ontucht, de Haarlemsche ventregeling voor gedrukte stukken, het Deventer tapverbod voor den kermistijd, het vischverbod te Wilnis, het Zwollerkerspelsche snoei-, knip- en hakgebod en het Boxtelsche voorschrift op tapperijen, enz., hoewel talrijke andere bepalingen van vergehjkbare strekking, welke eveneens betrekking hadden op gedragingen, enz., zoowel op openbaar, voor het publiek toegankelijk als privaat terrein, door den hoogen raad toegepast werden;

4. de onverbmdendverklaring bij arrest van 23 Juni 1930