is toegevoegd aan uw favorieten.

Het godsdienstig gemeenschapsleven in het Nederlandsch vrijzinnig protestantisme

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Het valt mij niet gemakkelijk, myn dank aan de Leidsche Theologische Faculteit voor al hetgeen ik haar verschuldigd ben onder woorden te brengen. Niet alsof in de bijna tien jaren, die voorbijgingen sinds ik de Leidsche collegezalen verliet, mijn gevoel van dankbaarheid zou zijn verzwakt. Het tegendeel is waar: thans besef ik de groote waarde van de Leidsche studentenjaren nog meer dan destijds. Maar mijn dankbaarheid gaat uit naar zoo velen, die ik niet meer danken kan, omdat de dood hen heeft weggenomen.

Onder hen zijn allereerst Professor Roessingh en Professor De Graaf. Alleen de eerste mag ik als mijn leermeester in de volle zin van het woord beschouwen. Met beiden in persoonlijke aanraking te zijn geweest, acht ik een groot en blijvend voorrecht. De voorbereiding van dit proefschrift verhoogde nog mijn bewondering voor hun beider arbeid, versterkte ook nujn besef van het groote verhes, dat de zaak van het Vrijzinnig Protestantisme door hun dood heeft geleden.

Onder de overledenen is ook Professor Pijper, wien ik dank verschuldigd ben voor zijn kerkhistorische colleges. Het is een weemoedige gedachte, dat thans ook zijn opvolger, Professor Eekhof, aan wiens harten] k medeleven en waardevolle raadgevingen ik met eerbied terugdenk, niet meer in leven is.

U, Hooggeleerde Eerdmans en Kristemen, breng ik nujn groote dank voor de wijze, waarop gij mij de schoonheid van het kritische en phaenomenologische denken over de godsdienst in zijn vele verschijningsvormen hebt getoond. ' Aan U, Hooggeleerde Windisch, dank ik, naast de steun van Uw persoonlijkheid, de genotrijke en waardevolle herinnering aan vele belangrijke lessen over het Nieuwe Testament.

Hooggeleerde Heering, ik heb verlangd naar deze gelegenheid om U voor Uw aandeel in mijn wetenschappelijke vorming te kunnen danken. Uw lessen in de Christelijke Dogmatiek toonden mij de mógelijkheid van een wetenschappelijke en tegelijk religieuze theologiebeoef ening. Evenals de praktische voorbereiding tot het ambt, die ik van U mocht ontvangen, zijn zij voor mij van steeds toenemende beteekenis geweest.

Met erkentelijkheid denk ik terug aan Uw college en privatissimum, Hooggeleerde Casimir, terwijl ik nuj gelukkig acht te behooren tot de wijde kring van hen, wier levensloop Uw belangstelling heeft.

Hooggeleerde Wensinck, U ben ik dankbaar voor de weg die gij1 nuj baandet tot het verstaan van vreemde godsdienstige gedachtenwerelden.

In this pref ace it may not be amiss to refer with a few words to the year I spent at the Divinity School of Harvard University, Cambridge, Massachusetts, as holder of a fellowship granted by the „Williams Fund". The eleven years separating me from this period have not obscured my memory nor lessened my gratitude