is toegevoegd aan uw favorieten.
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

gemakkelijk inzien, dat door de speciale eigenschappen der religie de toestand hier nog ingewikkelder, de terreinen nog moeilijker af te bakenen zullen znn.

Twee dingen moeten ter inleiding van de te volgen methode vooraf worden vastgesteld. Ten eerste, dat ik uitga van de overtuiging, dat religie, evenals alle vormen van geestelnk teven, in hooge mate mede door sociale machten en verschijnselen wordt bepaald, en dat zij omgekeerd in de functie dier sociale machten een belangrijk aandeel heeft. . . u

Vooropgesteld wordt dus m.a.w., dat alle religie is een verhouding tusschen God en het menschdom i), dat het sociale moment bii alle religieuze leven van wezenlijk belang is. Deze stelling liikt mij als een resultaat van de geheele moderne godsdienstwetenschap te kunnen worden beschouwd. 2) W«r hierbij de scheiding ligt tusschen het aandeel van de individueele en dat van de sociale factoren bij de opbouw der religie, büjkt moeiink in het algemeen te zeggen 3); dit zal het best in concrete gevallen uit te maken zijn. Wat hier moet worden uitgesproken is alleen, dat aan de sociale beschouwing der religie naast de individueele een onbetwistbaar recht toekomt.

Het tweede wat vooraf moet gaan is de afwijzing van de bewering dat de godsdienst als levensverschijnsel principieel met in aanmerking komt voor een onderzoek door de sociale wetenschappen. Deze bewering kan op twee verschiUende gronden

worden geuit. ... , . ■, ,• • j »

Ten eerste meent men in bepaalde kringen, dat de religie door haar akosmistisch karakter in principe niet door sociologie, psychologie e.d. kan en mag worden benaderd. Pogingen, dit toch te doen, worden dan spoedig als „psychologisme" verworpen. Bedoelt men met deze verwerping, dat het wezen van de godsdienst een geheimenis is, dat door geen wetenschap ooit kan worden onthuld, dan stem ik daarmee van harte in. Ik meen echter dat hieruit niet de conclusie behoeft te worden getrokken dat dus wetenschappelijke behandeling van de godsdienst als verschijnsel onmogelijk zou znn. Men kan weliswaar het geheimenis zelf niet beschrijven, maar men kan de houding van de mensch tegenover dat geheimenis psychologisch trachten te

i) Opzet en inhoud van een werk als Dr. H. T. de Graaf. Om het eeuwig goed (Arnhem 1928). ztJn van deze onderstelling één door-

l^Vgl. hv^het overzicht btj Werner Gruehn. Religionspsycho1 o e i e. Breslau 1928. S. 140 f.

») Pratt het midden zoekende tusschen de individualistische godsdienstpsychologie van James en de coUecttvtaüsche van Wundt geeft b.v. deze oplossing dat de vorm van het religieuze leven de bijdrage is vant de individuele factoren, de stof („matter") die van de sociale factoren, rj B Pratt The Religious C o n s c i o u s n e s s, a PsycioJ. S1 t u d y New York 1921, p. 74). Het is duideUJk, dat aUes hier afhangt van hetgeen men onder „vorm" en „«tof' der religie verstaat. Br) een bepaalde definitie der begrippen zou evengoed het omgekeerde van Pratt s stelling te verdedigen zijn.