is toegevoegd aan uw favorieten.

Het godsdienstig gemeenschapsleven in het Nederlandsch vrijzinnig protestantisme

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

lo. zij stelt de empirische menschelijke groepsvormingen als zoodanig als grondgegeven, dat de onderzoeker steeds als totaalbeeld voor oogen blijft (al kunnen door het onderzoek natuurlijk de trekken van dat beeld aanmerkelijk worden gewijzigd). Dit kan een beveiliging zijn tegen abstract theoretiseeren.

2o. Zij wendt zich principieel af van de mechanistische beschouwingswijze, die in de sociologie lange tn'd heeft geheerscht en die leidde tot de meening, dat de menigte of groep zou zijn een conglomeraat van individuen. De Gestalttheorie ziet de individuen als zelfstandige wezens, maar beïnvloed door de structuur van de groep.

Natuurlijk moet daarbij gewaakt worden tegen het gevaar van overdrijving naar de andere zijde: de methodische onderschikking van de individu aan het gemeenschappelijke. Voor dit gevaar blijft de organische beschouwing de gemeenschap niet geheel veilig. Ook met een levend organisme zijn de menschelijke gemeenschappen niet te vergelijken; immers de leden van een groep zn*n veel zelfstandiger dan de „ledematen" van een organisme en staan tot het geheel ook in een principieel andere verhouding, i) Ziet men de sociale verbondenheid van menschelijke persoonlijkheden echter in haar speciaal, noch met het mechanische conglomeraat noch met het organische geheel te vergelijken karakter, dan komen de sociale groepen in hun specifieke aard in het juiste licht te staan.

3o. Bij toepassing van de „gestalttheoretische" methode kan men komen tot een duidelijke en logische scheiding tusschen sociologie en de verschillende aan haar grenzende wetenschappen, vooral de psychologie en de geschiedenisfilosofie. Wat n.1. de sociale formaties als zoodanig kenmerkt,, is het feit, dat hier individuen in gemeenschappelijk willen — in de een of andere richting of op een of ander punt — onderling verbonden zijn en zich van dit gemeenschappelijke willen meer of minder duidelijk bewust zijn. 2) Deze verbondenheid zélf vormt het terrein van de sociologie; dat wat Steinmetz „de feiten van het menscheljjk samenleven als zoodanig' noemt. Zij onderzoekt, waarin het gemeenschappelijk willen in een bepaalde groep bestaat, waarop het zich richt, hoe lang het duurt, enz. Het breeder historisch verloop en verband en de zin ervan in het geheel der cultuur — dit zou dan het gebied van historiewetenschap en wijsbegeerte der geschiedenis zijn. Ook van de psychologie staat

*) Een uitvoerige bestrijding van de organische gemeenschapsbeschouwing geeft Theodor Ldtt. Individuum und Gemeinschaft, Grundlegung der Kulturphilosophie, Leipzig u. Berlin 1926, S. 279—292. Vgl. ook de „methodische Einleitung" van dit werk, S. 1 —14.

2) Vgl. F. K. Schumann, o.c. S. 686/7. Ook Max Weber verstaat onder „sociaal handelen": „Handeln, welches seinen von den Handelnden gemeinten Sinn nach auf das Verhalten anderer bezogen wird", Wirtschaft und Gesellschaft, TUbingen 1922, S. 1.