is toegevoegd aan uw favorieten.

Het godsdienstig gemeenschapsleven in het Nederlandsch vrijzinnig protestantisme

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

herhaaldelijk uit een veelheid van materiaal gedestilleerd. *) Voor ons land zjjn zij door Roessingh geschetst als een samentreffen van de „moderne mensch" en de „moderne theologie" tot wat dan aanvankelijk de „moderne richting" heet. 2) Door Lindeboom zijn de lijnen naar het verdere verleden doorgetrokken, waar hjj de wortels van het Vrijzinnig Protestantisme toont in Renaissance, spiritualisme en natuurrecht, in Erasmus, Spinoza en de Aufklarung s), kortom in wat hij het „neo-Protestantisme" noemt.

In de inleiding van zn'n werk zegt Lindeboom, dat zijn studie over het ontstaan van dit neo-Protestantisme (tot Lessing) geen zin heeft buiten het latere eigenlijke Vrijzinnig Protestantisme om. Bij deze opmerking aansluitende, zou ik erop willen wijzen, dat juist het verschil tusschen dit oude neo-Protestantisme en het latere Vrijzinnig Protestantisme ligt in de geringere concreetheid en formeele omlijndheid van het eerste tegenover het laatste. Door de opkomst van de moderne richting in de daarvoor rijpe tijd zijn al de vroeger als ongeorganiseerde stroomingen bestaande tendenties: verdraagzaamheid, dogmatische „rekkelijkheid", humanistische „Weltoffenheit" en wetenschappelijke speurzin, — geconcretiseerd tot één „beweging". Deze beweging is dan weliswaar geen secte, nog minder een kerk, evenmin een falanx van menschen die in alle hoofdvragen gelijk denken en hetzelfde willen. Integendeel wordt zn' gedragen door een bonte schare met vooral aanvankelijk zeer wisselende contouren, waar het — weer vooral aanvankelijk — vaak ging om schijnbaar abstract-wetenschappelnke kwesties. Toch vormt zij een groep, die, als elke levensvatbare gemeenschap, nergens opzettelijk in het leven geroepen maar „uit de noodzakelijkheid geboren" werd 4), die vorm geeft aan wat bij velen leeft en die een aantal nieuwe organisaties heeft gesticht en verschillende bestaande met haar geest gedrenkt.

Ten tweede meen ik van het Vrijzinnig Protestantisme als' een groep te mogen spreken op psychologische gronden. Over het psychologische type der vrijzinnige godsdienstigheid is weinig geschreven. Ook hier is het niet gemakkelijk, vaststaande kenmerken te geven. Scholz heeft gesproken van het geloofstype der „unbeschrankten Ausgangspunkte", van de „Religion der

*) B.v. in Die Soziallehren der christlichen Kirc h e n und Gruppen, Tübingen 1912, S. 930 f.f. en in vele artikelen in Bd. n der Gesammelte Schriften, TUbingen 1913.

2) De moderne Theologie in Nederland, hst. I—Tü.

3) Geschiedenis van het Vrijzinnig Protestantisme I. In veel beknopter en meer voorloopige vorm is een poging tot het ontwerpen van een geestelijke stamboom van het Vrijzinnig Protestantisme ook gedaan in de onder leiding van De Graaf samengestelde „Gids voor Vr ij zinnige Protestanten, le deeltje, blz. 35 v.v. Huis ter Heide z. Ij (1929).)

*) A. Pierson, Zwakheid en Kracht, Haarlem 1862, blz. 9. Vgi. Roessingh, Verzamelde Werken I, blz. 160 v.v.