is toegevoegd aan uw favorieten.

Het godsdienstig gemeenschapsleven in het Nederlandsch vrijzinnig protestantisme

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

f reien Subjektivitat"; Oesterreich geeft wel verschillende vormen en graden van „seelische Innenoffenbarung" als onderscheidingsmogelijkheden aan, maar verder dan tot vage aanwijzingen komt het niet. *) Toch is het bestaan van een vrijzinnig geloofstype ontwijfelbaar. Van Mourik Broekman heeft de vrijzinnige geloofsprediking typologisch onderzocht en haar personalisme tegenover de orthodoxe gesteld. 2) Lindeboom definieert de religieuze geaardheid van de vrijzinnige als divergeerend, middelpuntvliedend, dynamistisch met neiging naar monisme en intellectualisme, maar ook met een meer primaire emotionaliteit en dus minder zin voor traditie en regelmaat. 3) En zonder een opzettelijk psychologisch onderzoek te pretendeeren is Roessingh in bijna al zjjn geschriften feitelijk bezig, materiaal voor zulk een typologie bijeen te brengen en te bewerken. Ook b.v. de toetsing van het Vrijzinnig Protestantisme aan de Christelijke verlossingsleer is een poging tot typeering van het specifiek vrijzinnig Christelijk geloofsbezit. 4) Spanningen als van irrationalisme en humanisme, vrijheid des geestes en historische en theologische gebondenheid, cultuurgeloof en cultuurkritiek, deze en dergelijke verhoudingen zjjn het, waaromheen al deze onderzoekingen zich bewegen. En het komt mjj voor, dat juist het moment van protest in deze spanningsverhoudingen de vrijzinnig protestantsche strooming psychologisch tot een groep maakt. Bx zou door dit verder uit te werken, op het vervolg vooruitloopen; later zal moeten blijken, van welke aard dit protest is. Ik moge hier volstaan met te ccnstateeren, dat er blijkbaar een bepaalde psychische gesteldheid aanwezig is, die als kristallisatiecentrum van de vrijzinnig protestantsche groep kan worden beschouwd.

De derde grond voor een beschouwing van het Vrijzinnig Protestantisme als afzonderlijke groep ligt in zijn filosofischdogmatische eenheid. Uit alle studies over het Vrijzinnig Protestantisme in Nederland blijkt, dat daarin enkele groote gees-

D. Dr. Heinrich Scholz, Religionsphilosophie, Berlin 1921. S. 255 f.f.;

T. K. Oesterreich, Einführung in die Religionspsychologie als Grundlage für Religionsphilosophie und Religionsgeschichte, Berlin 1917, 7.Kap. a) Dr.M. C. van Mourik Broekman. De orthodoxe en moderne geloofsprediking uit psychologisch oogpunt vergeleken, Serie V r ij Christendom I no. 3, ZaltBommel 1915.

3) Prof. Dr. J. Lindeboom, De psychologische beteekenis der Richtingsverschillen, Serie Levensvragen XI, Baarn 1924. vgl. Nieuw Theol. Tijdschrift 1923, blz. 1 v.v. Ook art. Het godsdienst! g-z e d e 1 ij k karakter van het Nederlandsche volk in z ij n verschillende geledingen, in Barche m-B laden, April 1930.

4) L. J. van Holk, De verlossingsgedachte in het Vrijzinnig Protestantisme, in Nieuw Theol. Tflds c h r i f t 22e Jaargang (1933) afl. 1, blz. 1 v.v.