is toegevoegd aan uw favorieten.

Het godsdienstig gemeenschapsleven in het Nederlandsch vrijzinnig protestantisme

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

gen binnen de grenzen van het Vrijzinnig Protestantisme zelf tot deze behoefte aanleiding. Het bleek moeilijk, voor de subjectivistische geloofsopvatting van het modernisme een bevredigende kentheoristische basis te vinden. Gevoel, ervaring, gekreten, — dat waren wankele grondslagen; een man als Bruining heeft niet opgehouden daarop te wijzen en de noodzakelijkheid van een denkende rechtvaardiging Gods en van een daarop te bouwen dogmatische overtuiging te betoogen. *)

Maar van een andere zijde deed zich een nog sterkere drang tot bezinning op een formuleering van het godsdienstig bezit gelden: van de zijde van de omstandigheden. In § 4 van dit hoofdstuk zal de invloed der omstandigheden nader worden nagegaan. Hier worde vastgesteld, dat vooral na de oorlog het verlangen naar omschrijving van geloofsbezit op verschillende wijzen tot uiting komt. 2) Van een „leer" in de dwingende zin van het woord kan hier echter nooit worden gesproken. 3) Het doel is verbinden, niet binden; uitdrukken, niet vastleggen; fundeeren, niet construeeren.

Zoo is de laatste vijftien jaren in de uit vrüzinnig-protestantsche kring afkomstige geschriften een groeiend besef van collectiviteit merkbaar, dat steeds grondslag is van leer-vorming. Studieclubs worden gesticht, o.a. de „Studieclub van Moderne Theologen" (in October 1923) en verschillende „werkverbanden" voor gezanMnhjke theologische arbeid van groepen van predikanten. Het aantal publicaties of serie-geschriften van groepen van personen neemt percentsgewijze toe. De toon der

ï) Vgl. over de verschillende fundeeringen der moderne theologie EL H. Roessingh, De moderne theologie in Nederland. Hare voorbereiding en eerste periode (Dissertatie), in Verz. Werken I blz. 1 v.v. Over de ethische modernen en Bruining, Roessingh, Het Modernisme in Nederland, Verz. Werken

*) ' Ik denk hier o.a. aan de beginselverklaring van de V. C. S. B. (1927); de in 1929 begonnen serie geschriftjes ter omschrijving van het gemeenschappelijk geloof der vrijzinnigen, uitgegeven „voor algeheele verantwoordelijkheid van de schrijvers" in opdracht van de Ned. Prot. Bond (het eerste nr. van deze serie is: C. E. Hooykaas, Tien Hoofdpunten van ons Geloof, Huis ter Heide, z. j.); en aan de Beginselverklaring van de CC. in 1931. (Voor de inhoud van deze laatste zie Hst H § 1.) In Januari 1933 deed het „Werkverband Roessingh' (een groep theologen, leerlingen van Roessingh, in 1926 gesticht ter voorzetting van theologische arbeid in zjjn geest) een Geloofsbelijdenis het licht zien ? .

») Een geschriftje, dat ook onder deze pogingen tot definitie van net geloofsbezit zou kunnen worden gerekend, spreekt het niet-dwingende karakter van deze „toei^-vorming als volgt uit: „Wij verwerpen eiken geloofsdwang, zoowel die der roomsche priesterschap als die der confessiën, welke uit eenige leering — ook uit de hier gegevene — zoude besluiten tot een recht, andersdenkenden tot eigen geloofsopvattmg te mogen dwingen, daar elke zoodanige dwang strijdig is met de rechten der vrije menschelijke persoonlijkheid, gelijk die ons gewaarborgd wordt door de volstrekte souvereiniteit Gods, welke ons alzoo geschapen heeft." (L. J. van Holk in: De Remonstrantsche Broederschap, wat zij is en ut zfl wil, blz. 10.)