is toegevoegd aan uw favorieten.

Het godsdienstig gemeenschapsleven in het Nederlandsch vrijzinnig protestantisme

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

mum aan liturgie terugtrok en daarbij bleef. De eenige liturgische gewoonte, die een zeker burgerrecht verkreeg was het korte orgelspel na de preek.

Een liturgische vorm, die in vrn'zinnige kring sinds ongeveer 1915 opkwam, is de „wijdingsavond", meestal bestaande uit religieuze muziek, afgewisseld door voorlezing van bijbelgedeelten, klassiek proza of godsdienstige poëzie. *)

Ook op dit gebied heerscht groote verscheidenheid, van de sterk aesthetische, op algemeen-religieuze stemming gerichte wijdingsavond tot de strakkere, geheel als godsdienstoefening opgevatte, „muzikale dienst". 2)

Over de Openluchtsamenkomst werd in ander verband al gesproken.

Een eigen liederenbundel is aan het Vrn'zinnig-Protestantisme geschonken door de Protestantenbond; in 1882 verscheen hij, en werd in 1920 door een vervolgbundel aangevuld. De vergelijking van deze twee bundels is liturgisch en sociologisch evenzeer belangwekkend als in cultuurhistorisch opzicht Werkelijke gemeenschapsliederen bevinden zich in beide bundels slechts enkele; zelfs komt het subject in de meervoudsvorm bij deze, toch allereerst voor de kerk bestemde, liederen slechts bij een kleine minderheid voor 3) — een verschijnsel, waarbij de Nederlandsche Protestantenbond-bundel trouwens met de eveneens sterk individualistische Psalm- en Gezangbundel op één lijn staat.

Over de verschillen tusschen de beide N.P.B.-bundels is verder het volgende op te merken:

De indeeling en betiteling van de rubrieken is gelijk gebleven; alleen is in de nieuwe bundel de rubriek „Liefde", die in de oude bundel liederen over de menschelijke liefde bevat, weggevallen. Het aantal liederen, uitdrukkelijk „voor de godsdienstoefening" bestemd, is in de nieuwe bundel (relatief tot het totaal aantal van iedere bundel) meer dan tweemaal zoo groot * als in de oude. 4) Daarentegen bevat de oude bundel, eveneens relatief tot het totaal van elke bundel, meer dan 2Vi maal zooveel liederen onder de rubriek „Werk en Strijd" als de nieuwe

1) Vgl. N. Blokker, Wijdingssamenkomsten, art. in Uit de Rem. Br., 25e Jaarg. 6e afl. (Mei 1914).

2) De commissie voor Gemeenteleven" uit de Centrale Commissie verzamelde'een aantal gegevens omtrent in vrijzinnige kerken gebruikelijke liturgieën van gewone en Wzondere diensten. Deze gegevens zijn nog met

verwerkt. „ ,

3) De meervoudsvorm le persoon is natuurlijk geen in alle gevallen geldende maatstaf; met soepelheid toegepast UJkt mij dit echter een met onbruikbaar criterium. Op dit punt de beide N.P.B.-bundels onderzoekende, kom ik tot de volgende aantallen van liederen die als gemeenschapsliederen kunnen worden opgevat: oude bundel: 45 van de 224, dus rond 20 %; vervolgbundel: 27 van de 103, dus bijna 27 %. De overige (resp. 80 % en 73 % ) «fln k e n n e 1 k liederen van persoonlijke vroomheid, die geheel in de ik-vorm zijn gesteld.

*) Oude bundel: 11 van de 224 = nog geen 5 %; nieuwe bundel: 10 van de 103 = bijna 10 %.