is toegevoegd aan uw favorieten.

Het godsdienstig gemeenschapsleven in het Nederlandsch vrijzinnig protestantisme

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

overtuiging kwam dat de samenleving is geroepen om de kerk te vervangen. Als taak van de van kerkelijke vormen bevrijde godsdienstige gemeenschap ziet dan Pierson nog „personen aan te stellen en te bezoldigen, die, ontheven van de zorg voor dagelijksch brood, hun tijd kunnen besteden aan hetgeen bevorderlijk is aan de belangen van godsdienst en zedelijkheid" *); voor hem werden Protestantisme en kerk meer en meer twee begrippen, die elkaar opheffen: Protestantisme = vrij onderzoek; kerk = géén onderzoek. 2)

Op 9 April 1865 legde Pierson zn'n ambt te Rotterdam neer; Huet hield een korte tijd toespraken in de Concertzaal te Haarlem, maar eindigde ook daarmee spoedig. Met hem onttrokken een aantal anderen, studenten en predikanten, zich voorgoed aan de kerk. Maar velen bleven en deelden de overtuiging van Kuenen en Réville, dat een kerkidee zonder supranaturalisme mogelijk is. 3)

Toch heeft deze heftige episode niet geleid tot een principieele behandeling van het godsdienstig gemeenschapsbegrip van de zijde der modernen. De strijd is doodgeloopen; „halfslachtigheid" is het verwn't van radicale 4), „ongeloof" dat van orthodoxe zijde tot de moderne groep gericht; de vraag naar het gemeenschapsbegrip stond voor de modernen nog aan de periferie; de oplossing ervan werd veel te simplistisch en te rationalistisch gezien.

Ten slotte is er de derde groep, die men, wat het sociologische betreft, de rechtervleugel van het modernisme zou kunnen noemen. Ook zij heeft van het begin af bestaan. Kuenen met zijn „Het Goed Recht der Modernen", Réville met zijn „Nous maintiendrons", Van Bell in een artikel, gericht tegen dat van Rauwenhoff in dezelfde jaargang van het Theologisch Tijdschrift, zij waren de eerste krachtige woordvoerders van deze groep 6). Wat zn' wil, drukt Kuenen aldus uit: „De modernen staan niet vijandig tegenover de kerk, maar vormen in haar midden eene reformatorische partij, die haar loffelijk doel kan bereiken zonder dat de kerk zelve haar wezen prijs geeft". «J De kerk biedt dus in principe plaats aan een vrijzinnig Christendom. Zij is in

*) Rigting en Leven, n blz. 281.

a) Vgl. Boersema, Allard Pierson, eene cultuur-historische studie, 's Gravenhage 1924. in 't bijzonder blz. 337/8.

3) Vgl. L. Knappert, De historische verklaring der gehechtheid aan eigen kerkgenootschap, in Nieuw Theol. Ttjdschr. 1926, blz. 181 v.v.. waarin een beknopt overzicht wordt gegeven van de geheele historische ontwikkeling van het modernisme t.o.v. de kerk.

4) Vgl. over het verband tusschen moderne theologie en atheïsme: Dr. O. Noordenbos, Het Atheïsme in Nederland in de negentiende Eeuw. Rotterda m 2 J., vooral hst. VI.

5) Vgl. de beschrijving van hun strijd bij J. Herderschêe, De moderngodsdienstige Richting in Nederland, blz. 185 v.v.

«) A. Kuenen, Het goed Recht der Modernen, Leiden 1866, blz. 39.