is toegevoegd aan uw favorieten.

Het godsdienstig gemeenschapsleven in het Nederlandsch vrijzinnig protestantisme

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

wezen niet „supranaturalistisch"; zij kan en moet veranderen. De modernen moeten aan die „voortgaande ontwikkeling van de Protestantsche kerk... blijven arbeiden".*) Immers, al slaat onze theologie een nieuwe richting in, ons „godsdienstig-zedehjk geloof" valt samen met hetgeen de Kerk wil en men kan zich hierbij inderdaad beroepen op het liberale standpunt, waarop de Ned. Herv. Kerk zich i» het begin der 19e eeuw had geplaatst.

Tot deze groep behoort de Doopsgezinde Prof. S. Hoekstra Bzn.; deze heeft, naar het mij voorkomt, de psychologische en religieuze beteekenis van gemeenschap sterker beseft en dieper doorgrond dan eenig ander onder de modernen. 2)

B. Hoe de loop der omstandigheden in de verhoudingen van deze drie groepen heeft ingegrepen, zal nu ter sprake moeten komen. . . . .

Allereerst wil ik wijzen op de verandering, die zich m zo jaar in het standpunt van Rauwenhoff t.o.v. de kerk heeft voltrokken. Wie Rauwenhoff's Wijsbegeerte van den Godsdienst, verschenen in 1887, legt naast zn'n 20 jaar oudere artikel over „de Kerk", ontkomtaiet aan de indruk, dat hier het optimistiseh vertrouwen in de vrije gemeente-vorm heeft plaats gemaakt voor veel meer kerkelijke denkbeelden, s) „Vrije vroomheid", zoo heet het in de Godsdienstwijsbegeerte, „kan tijdelijk als vereenigmgsplan dienen van zulken, die, uit kwellende kerkelijke verhoudingen afkomstig, in zulke onbepaalde overeenstemming zich aan elkander aansluiten. Maar zulk een vereeniging is toch maar een vluchtheuvel. Daar bouwt men geen blijvende woning. Worden de toestanden weer normaal, dan keeren de vluchtelingen terug — ieder naar zijn eigen dorp". 4)

Hier bhjkt wel duidelijk, dat in die 20 jaar in het aspect van de moderne godsdienstige beweging in Nederland veel moet zijn veranderd.

En het geval van Rauwenhoff staat niet alleen. In lüló begroette Opzoomer den Nederlandschen Protestantenbond als „de gemeenschap der toekomst". Maar niet lang daarna begon de

1) F W. B. van BeU, De modernen in het Protestantsche Kerkgenootschap, in TheoL Tdschr. 1867, blz. 211 vv.

2) Men zie de treffende passage, waar Hoekstra onderscheidt tusschen het „pathematische" en het blijvende geloof en de beteekenis van de gemeente voor het laatste: Grondslag, Wezen en Openbaring v. h. godsd. geloof, Rotterdam 1861, blz. 168 v.v. — Vgl. het boven (blz. 25) van Hoekstra geciteerde.

*) In zijn artikelen over Het Ideaal eener godsdienstige Gemeenschap in Theologisch Tijdschrift 1912 blz 421 v.v. en 1913. blz. 232 v.v. gaat L. N. de Jong m.i. ten onrechte van de onderstelling uit, dat Rauwenhoff s denkbeelden omtrent de gewenschte gemeenschapsvorm voor de modernen onveranderd gebleven zijn.

*) L. W. G. Rauwenhoff, Wijsbegeerte van den Godsdienst. Ie ged.. Leiden 1887, blz. 838/9.