is toegevoegd aan uw favorieten.

Het godsdienstig gemeenschapsleven in het Nederlandsch vrijzinnig protestantisme

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

van harte gebruikt en heeft men vaak geaarzeld, hem openlijk te voeren. Hoe sterker de wrijving tusschen het moderne leven en de Christelijke gedachtensfeer, des te aarzelender stond het Vrijzinnig Protestantisme tegenover dat Christendom, dat dan niet zelden als het „officiëele" of „kerkelijke" Christendom werd aangeduid ter onderscheiding van het „ware" en „levende", maar niet „zichtbaar" georganiseerde. Deze wrijving is vooral op twee punten dikwijls voelbaar geweest: lo. daar, waar de praktijk van het Christendom de indruk van onechtheid en farizeïsme wekte, of waar de verburgerlijking der Christelijke ethiek duidelijk werd; 2o. daar, waar, meer theoretisch, in het Vrijzinnig Protestantisme zich de universalistische trek deed gelden, die het van nature heeft.

Het eerstgenoemde protest tegen het Christendom staat meestal in verband met de cultuurkritische strooming van omstreeks 1900, door welke dan ook het verwereldlijkte en verburgerlijkte Christendom getroffen werd. Ibsen, Tolstoï, Kierkegaard en vooral Nietzsche zijn hier de geestelijke vaders. Deze strooming verbindt zich dan met een sociaal-radicale geest als van Kutter, Monod en Ragaz tot een revolutionnaire godsdienstigheid, waarin soms een „gezuiverd" Christendom overweegt — als bij de Christen-socialisten, *) — maar soms ook de kritiek op het Christendom overheerscht, — als in toenemende mate b.v. bij De Ligt. 2)

De tweede vorm van protest tegen het Christendom is ouder en meer aan elke humanistische religie inhaerent: het protest tegen absolutistisch exclusivisme en geestelijk imperialisme van het Christendom. Uit dit protest is b.v. de houding van het Vrijzinnig Protestantisme tegenover de zending te verklaren. Het zijn echter twee zeer verschillende motieven, die ten grondslag kunnen liggen: le. een relativistisch agnosticisme: het Christendom is niet beter dan andere godsdiensten; ze hebben alle hun goede kanten maar bezitten geen van alle de volle waarheid. Motief kan echter 2e zijn: de specifiek-religieuze expansiedrang, het universalisme, dat om des Evangelies wil den Joden Jood en den Grieken Griek verlangt te worden.

In de discussies over de zending in vrijzinnige kring plegen deze beide motieven om de voorrang te strijden. Sociologisch beeld van zulk een strijd is op ander gebied de universalistische federatiebeweging. Daar werkten de religieuze expansiedrang en het relativistisch eclecticisme samen; een monsterverbond van elkaar opheffende krachten, waarin de ontbindende werking van het agnostisch relativisme zich sterk deed gelden.

») Horreus de Haas spreekt van „die geestelijke diepte, die het ware Christendom bedoelt", en waarheen het religieus socialisme wil heenwijzen (Godsdienst en Socialisme, Amsterdam 1924, blz. 94). 2) Vgl., behalve zijn Christen-Revolutionnair (Zwolle, 1915), de Inleiding van zijn Kerk, Cultuur en Samenleving, Tien jaren strijd, Arnhem 1925.