is toegevoegd aan uw favorieten.

Het godsdienstig gemeenschapsleven in het Nederlandsch vrijzinnig protestantisme

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Simmel heeft in een bekend boekje naar voren gebracht, dat „der Konflikt der modernen Kultur" hierin ligt, dat de moderne mensch het ongevormde leven wil, maar dat dit noodzakelijkwijs niet anders dan een tusschenstadium kan zijn, „Dennoch ist es mir Zweifelhaft ob nicht der Grundwille eines religiösen Lebens unvermeidlich eines Objektes bedarf, ob jeder rein funktiorielle Charakter, seine an sich formlose, nur das Auf und Nieder des Lebens überhaupt farbende, weihende Dynamik, die jetzt den definitiven Sinn so vieler religiöser Bewegtheiten zu bilden scheint, nicht ein bloszes, eigentlich ideell bleibendes Zwischen-

Dit „Zwischenspiel" is in het Vrijzinnig Protestantisme in de 20ste eeuw ten einde geloopen. Wel blijft het a-formeele in de gezindheid als strekking bewaard; het Vrijzinnig Protestantisme blijft een „Religion der unbeschrankten Ausgangspunkte" 2) en daarom universalistisch, en kritisch to.v. iedere vorm. Maar het leven zelf dringt tot vorming, en zoo krijgt in de latere jaren de „gelijke gezindheid" als samenbindende factor een ietwat andere klank. Meer dan een verandering van klank is het voorloopig niet; „gelijke gezindheid" begint te klinken als: gemeenschappelijke verantwoordelijkheid. Dat beteekende het vroeger ook: verantwoordelijkheid tegenover de „samenleving", de vrijheid van het gemoed enz. Nu echter wordt deze verantwoordelijkheid bewuster als samenbindend element gevoeld, en haar religieuze bepaaldheid komt duidelijker naar voren. In een boekje over „Gemeenteleven" uit 1915 gaat de schrijver de beteekenis der kerk in drie opzichten na: „het heilig doel, dat de kerken voorstaan, de eerwaardigheid van haar geschiedenis, de beteekenis der vrome traditie" 8); deze drie kenmerken onderscheiden de godsdienstige gemeenschappen van de profane. Men bespeurt hier niet enkel gelijke gezindheid als verbindende kracht, maar een zien zoowel naar de toekomst als naar het verleden, een houding, die verantwoordelijkheidsgevoel mag heeten.

Tegelijk beteekent deze verlegging van accent, dat religie met meer zoo uitsluitend functioneel wordt verstaan; verantwoordelijkheidsgevoel immers krijgt pas zin door datgene waarvoor men zich verantwoordelijk gevoelt. Deze verschuiving heeft dan ook weer invloed op de innerlijke waarde van het begrip „vrijheid". „De echte Vrijheid beleeft de mensch niet door zich los te maken uit de maatschappij, maar door uit eigen keuze de gemeenschap te dienen", aldus wordt in 1928 getuigd. *) Met de woorden van Nietzsche zou men kunnen zeggen: het „frei wovon" maakt plaats voor het „frei wozu".

ï) Kond. d. m o d. Kultur, S. 27. Vgl ook Simmel's art. D e r Be grif f u. die Tragödie d. Kultur, in Logos Bd.II (1911/12), S. 1 f.f. «V H. Scholz; vgl. blz. 16.

») Dr. C. E. Hooykaas, Gemeenteleven (Serie „Vrg Christendom"), Zalt-Bommel 1915. blz. 13.

«) De Rem. Br., Wat z ij is, enz., blz. 22.