is toegevoegd aan uw favorieten.

Het godsdienstig gemeenschapsleven in het Nederlandsch vrijzinnig protestantisme

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

HOOFDSTUK II

§ 3. DE VERHOUDING TOT DE MAATSCHAPPIJ

Sterk is in het Vrijzinnig Protestantisme altijd het syntheseverlangen van Christendom en cultuur geweest, „das Motiv des Brückenschlagens", *) zóó sterk in sommige tijden, dat de grens tusschen de godsdienstige en de andere sociale groepeeringen zoo goed als onzichtbaar werd.

Aan de andere kant heeft toch het Vrijzinnig Protestantisme, als elke religieuze gemeenschap, iets eigens te behoeden en te verdedigen gehad en dus een afgrenzing tegenover de andere kringen van menschehjk samenleven gehandhaafd.

Universalisme en exclusivisme zijn de termen, waarmee men de uitersten op dit gebied pleegt aan te duiden. Het Vrijzinnig Protestantisme is in hooge mate universalistisch. Vooral in de eerste periode is de houding van het Vrijzinnige Protestantisme tegenover andere sociale kringen bepaald door het bewustzijn van de zedelij k-ftumamtaire roeping van de godsdienstige mensch. In scherpe vorm wordt deze houding uitgedrukt in de beteekenis die Pierson aan het woord „humanisme" geeft. Dit ziet hij in zijn vöBedig uitgegroeide gedaante als een vervanging van theokratie door anthropokratie in het kader van de moderne Staat: de regeering van de leek. „De mensch zal eerst èn waarlijk individu èn mensch zijn, wanneer niet een kaste of een sekte, wanneer priester noch kerk, maar de mensch regeert." 2) Dit humanisme niet enkel op het gebied van „het esthetische en het gemoedsleven" maar ook op maatschappij en staat toe te passen, zegt hij, is de taak van het thans levende geslacht.

Nu is het duidelijk, dat dit wel zeer onbepaalde universalisme pas inhoud krijgt, wanneer het begrip mensch op de een of andere wijze wordt omgrensd.

In het laatste citaat gebeurt dit al min of meer, want de „mensch" wordt daar b.v. in ieder geval tegen de „priester" afgegrensd. Er is dus in die mensch iets, dat hem van de priester onderscheidt, en dat hem met iets wezenlijks in de menschheid verbindt.

De vraag is nu, hoe deze verhouding van mensch en maatschappij in het Vrijzinnig Protestantisme zich heeft ontwikkeld.

A. Hier moet voorafgaan de opmerking, dat ter ontleding van deze verhouding de gangbare tegenstelling egoïsme—altruïsme \ niet bruikbaar is. In haar plaats zou ik willen invoeren die van /individualiteit en sociale roeping. Deze twee begrippenparen vallen geenszins samen. Handhaving van individualiteit is niet altijd egoïsme; de sterke zelfbewuste persoonlijkheid kan uit zeer al-

ï) W. Elert, Der Kampf urn das Christentum, München 1921, S. 421.

*) A. Pierson, Levensbeschouwing n, blz. 306.