is toegevoegd aan uw favorieten.

Het godsdienstig gemeenschapsleven in het Nederlandsch vrijzinnig protestantisme

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

overd had, haar leeren beschouwen? Alleen als individualiteit? Integendeel. Hh' kon zijne individualiteit geen oogenblik anders beschouwen, dan als het wezen, waarin het Oneindige zich spiegelt. Derhalve moest hij zich van nu aan afvragen: van waar, dat mijn individualiteit de spiegel is van het Oneindige? Ligt het daaraan, dat zij een individualiteit, of daaraan, dat zij een menschelijke individualiteit is? Sta ik in die onmiddellijke betrekking tot het Oneindige krachtens hetgeen mij van andere menschen onderscheidt, of veeleer krachtens hetgeen ik met alle menschen gemeen heb? Op die vraag kon het antwoord niet twijfelachtig zijn. Maar dan bespeurt men ook licht, welk gevolg uit dit godsdienstig individualisme getrokken moest worden. Staat de mensch als mensch in die innige betrekking tot het Oneindige, en is die betrekking 's menschen eigenlijk wezen, dan is het wezen van alle menschen hetzelfde, dan zijn alle menschen in de allerbelangrijkste aangelegenheden volkomen aan elkander geljjk; dan is daarmede een gelijkheid gegeven, zoo groot, zoo indrukwekkend, dat elk verschil in andere opzichten daarbij verbleekt; dan is, met andere woorden, het individualisme geworden tot humanisme. In het Oneindige, dat zich in hem spiegelde heeft elke individueele mensch zichzelf als den mensch aanschouwd; welke beeldspraak zeggen wil, dat het individu, zich van zijn individualiteit bewust wordende juist door middel van een besef, het Godsbesef, dat hij aan alle menschen zonder onderscheid moest toeschrijven, noodzakelijk tot de erkenning van zijnen eigenen onverbrekehjken samenhang met de menschheid in haar geheel moest raken.". En verder: „De waarde van het humanistisch ideaal ligt, indien ik mij zoo uit mag drukken m de sekulariseering van de menschheid. Is het 's menschen schoonste eeretitel en hoogste eerzucht een mensch te zn'n, dan moet vroeg of laat elke theologische indeeling der menschen, elke indeeling in kerkelijke klassen, hare aantrekkelijkheid verhezen. De mensch kan zich dan niet meer noemen met een eigennaam, naar Boeddha, Kristus, Mohammed, Luther of Kalvijn, want het bijzondere in hem, dat het gebruik van zulk een doopnaam zou rechtvaardigen, is in zijn oog iets te nietigs, of in elk geval iets bijkomstigs geworden."

Ik heb deze passage in haar geheel aangehaald, omdat zrj licnt werpt op het probleem, dat misschien wel het centrale mag heeten voor alle humanistische-religieuze groepeeringen: hoe de idee van het algemeen-menschehj'ke te vereenigen met de waarde der autonome persoonlijkheid.

In een schets getiteld: „Individu en gemeenschap naar de opvattingen van de 18de en de 19de eeuw" stelt Simmel tegenover elkaar het 18de eeuwsche en het 19de eeuwsche individualisme in hun verhouding t.o.v. de menschheid als geheel. Het eerste beschouwt de mensch naar zijn algemeen begrip, als

i) In: Grundfragen der Soziologie, S. 71 f.f.