is toegevoegd aan uw favorieten.

Het godsdienstig gemeenschapsleven in het Nederlandsch vrijzinnig protestantisme

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

goed verstaat," zegt Banning in 1927, „weet dat de autonomie wel de eerste maar niet de laatste waarde is. Ook ons laatste woord is: theonomie — autos zoowel als nomos hebben hun grond in de eeuwige Grond". En hn' vervolgt: „Maar dat legt tegenover de verwereldliking der autonome kuituur zware taak op — de taak van het geloof". x)

Ook de houding van een deel der vrijzinnigen in zake het dienstweigeringsvraagstuk wijst in de richting van grooter zelfstandigheid van het Christelijk bewustzijn tegenover de eischen en middelen van de Staat. 2) Blijkbaar hangt deze ontwikkeling samen met een veranderende religieuze anthropologie in de kritt. gen van het Vrijzinnig Protestantisme.

Nog in een ander opzicht blijkt namelijk het „18de eeuwsche" TBdividualisme op dood spoor te voeren. Naar zjjn sociale intentie richtte het «ich, zagen wij, op de staat; naar zjjn individueele intentie op het abstractum „mensch". Ook aan deze zijde nu treden onzekerheden op. Zjj openbaren zich in een zekere „verharding" van het mensch-begrip. De ideale mensch van de 18de eeuw wordt tot de doorsnee-burger met wie men in handel en wandel zooveel mogelijk conform behoort te zn'n. De humaniteit versteent in een vaak zeer kkdn-burgerhjk normaal-begrip. Het blijft het „algemeen-menschelijke", waarvan de kern wordt aangeduid als „geloof van den mensch in zichzelven, zedelijke idealen, hooger leven, het goede, het Oneindige, het onvoorwaardelijk plichtbesef". »)

Maar de impulsieve kracht, die ui al deze schijnbaar zwevende uitdrukkingen eenmaal leefde, raakt uitgewerkt; men verschanst zich in een schema van fatsoen en vermeende algemeene geldigheden. Het krachtelooze van die houding roept een kritiek op als de uitlating (in 1911), dat men „volstond... met ijverig een liefde te prediken, die uiteenviel in een aantal aan de oppervlakte blijvende burgerman's deugden zooals vriendelijkheid, milddadigheidén vooral tevredenheid." *) Ook komt nier plaats voor de hooghartigheid, die bh* een verstarde houding altijd het gerechtvaardigd zelfbewustzijn komt vervangen, hooghartigheid, die aan de „bezittende en beschaafde klasse" «) haar verwaten en neerbuigende toon gaf. Het gerechtvaardigd zelfbewustzjjn van een gemeenschap uit zich in de kategorie van

!) W. Banning, Eenige opmerkingen over de positie van het Vrijzinnig Protestantisme, art. in De Smidse, 2e jaarg. no. 11 (Nov. 1927), blz. 821. 2) Vgl. Dr. G. J. Heering, De Zondeval van het Christendom, een studie over Christendom, Staate'n Oorlog, Arnhem 1928 (2 1930), spec. hst, DX Voorts van dezelfde schrijver: Dienstweigering en Overheidsgezag, en Dienstplicht en Gewetensbezwaren artt in Haagse h e Maandblad, Aug. 1924 en Dec. 1926. a) Deze opsomming bij S. Cramer, Konservatief Modernism e, blz. 83/84.

4) S. C. Kylstra to Theol. Tijdschr. 1911. blz. 223. 8) Theol. Tijdschr. 1910. blz. 90.