is toegevoegd aan uw favorieten.

Het godsdienstig gemeenschapsleven in het Nederlandsch vrijzinnig protestantisme

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

religieuze socialisten tegen het sociaal-ekonomisch determinisme en het collectivisme ter linker, tegen het staatssocialisme ter rechter zijde, in het opkomen voor de waarde van de individueele gewetenseiscn in „Kerk en .Vrede", overal komt het aan den dag. Dat op de Algemeene Vergadering der Remonstrantsche Broederschap van 1925 een motie werd aangenomen, waarin bij de regeering werd aangedrongen op vollediger erkenning der rechten van principieele dienstweigeraars, bewijst, dat dit individualisme met zrjn sociale intenties diep genoeg in het wezen van het Vrijzinnig Protestantisme is geworteld, om, wordt het zuiver voorgestaan en verdedigd, andere, zelfs tegengestelde tendenties binnen de kring van dat Vrijzinnig Protestantisme nu en dan te overwinnen. Om de sterke sociale inslag van dit hernieuwde humanistische individualisme te illustreeren haal ik nog een passage aan uit het bovengenoemde artikel van Banning: „Als men het humanisme zoo verstaat, dan voert het, religieus gesproken, tot het eerbiedig dienen van het grote wereldwerk Gods, dat in menselike bestemming eenigszins wordt verstaan, dan weet de mens zich werktuig van de goddelike scheppingsgeest". !)

B. Keeren wij tot de tegenstelling exclusivisme-universalisme terug, dan moet nog iets gezegd worden over de sociale grenzen die het Vrijzinnig Protestantisme in zn'n tweede periode kenmerken.

Welke van de vele sociale kringen, waartoe ieder mensch behoort, hij het hoogst zal aanslaan, hangt af van de vraag, in welke kring hij zijn wezen het meest innerlijk geworteld voelt. Voor de religieuze mensch kan dit een godsdienstige groep zijn. Maar noodzakelijk is dit niet Want m dé eerste plaats is het mogelijk dat het religieuze, al is het hem niet vreemd, in dien mensch toch niet het meest centrale is, zoodat hij b.v. door een zedelij k-maatschappelijk ideaal meer wezenlijk gegrepen wordt dan door een religieus.

En in de tweede plaats kan het gebeuren, dat het religieuze bezit van de groep waartoe hij behoort zoodanig verarmd is, dat hij in een andere, b.v. een maatschappelijk-revolutionnaire kring de inhouden vindt, waarmede zijn religieuze ik-functie zich kan yereenigen. Vooral bij vrijzinnigen» in wier godsdienstbegrip de inhoud reeds theoretisch van de functie is losgemaakt, kan zich zulk een verschuiving gemakkelijk voordoen. De inhoud wordt zwevend, kan overal gevonden worden, Ook in de religieuze of aan het religieuze verwante sentimenten, die een maatschappelijke beweging opwekt.

Dat naast deze kritische revolutionnaire vleugel het andere, numeriek waarschijnlijk sterkere deel der vrijzinnige protestanten niet sociaal voelend zou zijn, is een ongegronde bewering.

!) De Smidse, II, 11, blz. 319.