is toegevoegd aan uw favorieten.

Het godsdienstig gemeenschapsleven in het Nederlandsch vrijzinnig protestantisme

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

zinnige Christendom is „das Pathos der glaubigen Freiheit". *) Misschien zou het meer in overeenstemming zijn met het resultaat van ons onderzoek, indien wjj met betrekking tot de godsdienstige gemeenschap de positie der woorden „geloof" en „vrijheid" omkeerden en van „freiheitlicher Glaube" spraken. Immers constitutief voor de gemeenschap des geloofs is, naar wij zagen, niet de vrijheid maar het geloof.

Hoofdzaak is intusschen, dat het vormprincipe van de vrijzinnig protestantsche geloofsgemeenschap gegeven is in de innige verbinding van geloof en vrijheid. Hierover zou ik, ook in verband met al het voorafgaande, de volgende opmerkingen willen maken:

a. De spanning tusschen „Protest" en „Gestart", waarvan boven sprake was, blijft op de grondslag van de verbinding van geloof en vrijheid in het Vrijzinnig Protestantisme gehandhaafd. Het waarheidsbewustzijn blijft „open". In de eerste periode van het Nederlandsch Vrijzinnig Protestantisme lag het accent op de vrijheid: toen stelde men het zoeken van de waarheid hooger dan het bezit ervan (Lessing). Thans ligt het accent aan de zijde van het geloof; daarom gaat het ook nu minder om wetenschappelijke dan om godsdienstige en kerkelijke vragen; wjj hebben leeren verstaan: „die Wissenschaft sucht, die Kirche hat". 2) Maar evengoed blijft in het Vrijzinnig Protestantisme gelden het woord van Vinet, hetwelk dat van Lessing te boven gaat en opheft: „La vérité sans la recherche de la vérité n'est que la moitié de la vérité."

b. Door de verbinding van vrijheid en geloof komt „de positieve inhoud der vrijheidsgedachte" 3) tot zjjn recht. Van het hoogste belang is, hierbij te constateeren, dat deze positieve inhoud in wezen de religieuze inhoud der vrijheidsgedachte is. Immers, waar van vrijheid in positieve zin gesproken wordt, daar is zij de aanduiding van iets dat méér is dan de f ormeele vrijheid; daar is de mensch gekomen tot het weten, dat de vrijheid zijner persoonlijkheid een genadegave is „ons gewaarborgd door de souvereiniteit Gods, welke ons alzoo geschapen heeft".4) Vrijheid dus, in Gods souvereiniteit en in Zjjn scheppingswil gegrond. Wij zien hier een zuivere verbinding van het vrijzinnige en het Calvinistische geloof, verbinding, die m.i. van het godsdienstig en theologisch leven in ons land van de grootste beteekenis kan blijven.

1) Kurt Leese, Die Krisis und Wende des christlichen Geistes, Studiën zum anthropologischen u. theologischen Problem der Lebensphilosophie, Berlin 1932, S. 390 f.f.

s) Deze uitspraak is van Paul de Lagarde; aangehaald bij Roessingh, Verz. W. I, blz. 216.

3) Titel van een artikel van dr. L. J. van Holk in De Smidse, 3e Jaarg. no. 3 (Maart 1928).

*) L. J. van Holk in De Remonstr. Broederschap, wat z ij is en wat zij wil, blz. 10.