is toegevoegd aan uw favorieten.

Het godsdienstig gemeenschapsleven in het Nederlandsch vrijzinnig protestantisme

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

eischt, dat zn' naast haar kerkelijke functie haar vrijzinnig-protestantsche functie zoo goed mogeln'k tracht te vervullen, al zullen deze beide functies in de praktijk telkens elkander tegenwerken, wat aanleiding moet geven tot veel extra krachtverbruik en dubbele organisatie. Op grond van het hier besprokene kan alleen met nadruk worden gewezen op de noodzakelijkheid van zoo volledig mogelijke samenwerking tusschen de vrijzinnigprotestantsche groepen onderling. Het lijkt mij onmiskenbaar duidelijk, dat deze groepen in vele opzichten bij elkander behooren, al kunnen zij daarnaast ook in enkele opzichten recht op een zelfstandige strijd en functie laten gelden. De kwestie, wat in beginsel hooger gesteld moet worden: de Hervormde Kerk of het Vrijzinnig Protestantisme, lijkt nuj theoretisch niet te beantwoorden. De godsdienstige gemeenschapsband is, gelijk wjj opmerkten, gelegen in het gezamenlijk godsdienstig bezit. Men kan van hier uit twee vragen stellen: lo. Is het godsdienstig bezit der Hervormde Kerk als geheel „einheitüch" genoeg om een werkelijke religieuze gemeenschapsband te vormen? 2o. Is de gemeenschapsband, waartoe het godsdienstig bezit van het Vrijzinnig Protestantisme leidt, van dien aard, dat de Hervormde Kerk kan worden losgelaten? Naar het mh' toeschijnt moeten beide vragen ontkennend worden beantwoord. Daaruit volgt, dat, in het heden althans, de Hervormde Kerk en het Vrijzinnig Protestantisme gedeeltelijk tegenover, gedeeltelijk naast en gedeeltelijk met elkander zullen moeten leven, en dat wij dus de vele ingewikkelde problemen waarop wij hier stooten en nog zullen stooten, zullen moeten doorworstelen, zonder voorloopig tot een gave oplossing te kunnen komen.

Wel ligt het, meen ik, in het karakter van het Vrijzinnig Protestantisme zelf, om als het moet de idee te kiezen boven de organisatie, het ongevormde leven boven de vorm, wanneer die tot mis-vorming leidt. Daarom, hoe ook de kerkelijke verhoudingen zich zullen ontwikkelen, om der wille van het humanistisch Christendom en zn'n toekomst, om der wille dus ook van het verband tusschen Christendom en cultuur, acht ik versterking van de onderlinge band tusschen Vrijzinnige Protestanten op de grondslag van hun gemeenschappelijk godsdienstig bezit een eerste eisch. De oekumenische Christelijke Kerk zal alleen door een krachtige, eensgezinde en van haar eigen aard zich bewuste vrijzinnige groep gebaat zijn. Alleen zoo komt men tot een „organische groepeering van godsdienstige gemeenschappen" (blz. 125).

5. Wh' zagen, dat de constitutieve factor van het vrijzinnigprotestantsch gemeenschapsleven de gedachte van de geloovige vrijheid is. Juist wanneer deze vrijheid religieus wordt verstaan, — maar in den grond ook alléén dan, — beduidt zij verbintenis en dienstbaarheid aan een bepaalde gemeenschap. Want dan gaat het „van menschen vrij" over in het „aan God gebon-