is toegevoegd aan uw favorieten.

Adolf von Harnack, voornamelijk als dogmahistoricus

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Trouwens, onder de invloeden van het milieu was die van Dorpat de sterkste. Erlangen, waar Theodosius Harnack van 1853 tot 1866 hoogleeraar was, heeft slechts een voorbij gaanden indruk in het leven van Adolf achtergelaten, een indruk van enkele groote mannen, niet van een vormend milieu. De familie Harnack bleef er, trots alle geestesharmonie in de faculteit, waar Thomasius, Hoffmann en Delitzsch Sr. doceerden, eigenlijk vreemd, met een voortdurend heimwee naar huis, naar Dorpat. Het doel van de moeder, den kinderen een meer breede, Duitsch georiënteerde, opvoeding te geven, werd slechts ten deele bereikt. In herinnering bleven de oude Professor Koppen, een voorwerp van diep respect voor alle jonge hoogleeraarskinderen, en de rector van het gymnasium Döderlein, die Adolf verzen van Schiller het reciteeren. Maar vooral was het „papa" Raumer, kenner van Augustinus en vereerder van Goethe, dien hij persoonlijk gekend had, welke een onuitwisbaren indruk maakte, en die bij Adolf Harnack de eerste kiem reeds legde van de latere groote liefde voor den kerkvader en van de eerbiedige afhankelijkheid van Goethe en zijn tijd 1).

In Dorpat, waar Adolf Harnack zijn laatste gymnasiale jaren en zijn studententijd doorbracht, was het de Baltische geest, boven geschetst, die een sterke vormende kracht in het leven van den jongen geleerde werd. „Der Esprit der Balten gab seinem Geist die eigenthümliche Grazie" zegt E. Seeberg, en zelf zegt hij, dat hij aan dit land te danken heeft zijn vorming, ja nog meer: „Die Struktur meines geistigen Lebens" 8). Hier is zijn Duitsch voelen en denken, hier zijn hooge vrijheidszin, hier zijn aristocratisch verantwoordelijkheidsgevoel geboren. Dit heeft zelfs zijn eigenaardige geschiedenisopvatting gestempeld en hem die overgroote aandacht voor „epoche-

bel, dien Harnack eens op een reis naar Venetië aan enkele vrienden vertelde, de parabel van vier broers, die het ouderlijk huis verlieten en ieder 100 Thaler meekregen. Zij dreven handel en wonnen ieder een grooter of kleiner vermogen, maar verklaarden ten slotte: „Und die 100 Thaler habe ich auch noch!" H. Lietzmann in zijn herdenkingsrede in het „Harnackhaus", Juni 1930).

*) A. von Harnack, „Meine Zeitgenossen", a.w.

*) E. Seeberg in zijn „Gedachtnisrede", „Gemeinverst. Vortrage", a.w.

A. von Harnack in zijn rede op de „Fortbildungskursus" der „baltische Ut. Gesellschaft" te Riga 1913; Aus den Friedens- und Kriegsarbeit, p. 175.