is toegevoegd aan uw favorieten.

Adolf von Harnack, voornamelijk als dogmahistoricus

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

gaf en tevens „Mark in den Knochen", vooral door zijn hoofdwerk en door zijn „Entstehung der altkatholische Kirche". Hij vergelijkt het aangevangen werk van den kring met het gaan varen op de wijde zee (de Kerkgeschiedenis) met een schip (de „streng geschichtliche Wissenschaft"), beschenen door de zon van het Evangelie (naar Ritschliaansche opvatting). En de kring was van oordeel, dat men in de Ritschliaansche theologie iets had, dat „jede Wissenschaft ebenbürtig" was, waarmee men „jeden Notstand in Kirche und Welt gewachsen sei" *).

Tot dezen kring behoorden Baudissin en Von Gebhardt, Schürer en Kaftan, Loofs en Drews en Stade. Men beleefde vreugde aan de oorsprongen van het Christendom, zooals Harnack die teekende en eerde hem als primus inter pares en als jure suo leider van den kring, als den man, die zelf een school zou stichten en geen Ritschliaan zou zijn in den eigenlijken zin van het woord *).

Deze tijd in Leipzig was van groote beteekenis voor Harnack. Zijn arbeid concentreerde zich hier nog hoofdzakelijk op het gebied van de Kerkhistorie in breeden zin, wel met speciale belangstelling voor de eerste drie eeuwen, maar niet met dien nadruk op de Dogmageschiedenis, die later zijn arbeid kenmerken zou. Hij legde hier a.w. den breeden ondergrond, vooral door zijn bronnenonderzoek,

*) RGG.* s.v. „Leipzig" en „Ritschlianer".

Harnack bij zijn zestigsten verjaardag in zijn rede in het „kirchenhistorisch Seminar"; Aus den Werkstatt des Vollendeten, p. 10 v.; zie ook ib. p. 424 en „Martin Rade", ib, p. 258 w.

ro. art. bij het 50-jarig bestaan van de THLZ., 1926, a.w. p. 17 w. Harnack noemde de ouderen „slechte Musikanten für die Studenten". Men kan bijna van een jongere faculteit naast de oudere spreken, zegt bij. De ouderen stonden den jongeren niet in den weg; hoewel destijds het spreken over ideeën- en geestesgeschiedenis bijna verdacht

m Aanvankelijk leefde Harnack wel eenigszins met de oude generatie mee, getuige zijne publicaties in „Hgens Zeitschrift für historische Theologie" en in „Zeitschrift für die ges. luth. Theologie und Kirche". Het eerste werd spoedig vervangen door „Zeitschrift für Theologie und Kirche" door Ritschl mee opgericht, en daarnaast verscheen in 1876 de THLZ. (redactie Schürer), dat één der organen van de „Ritschlianen" werd en waarin Harnack van den aanvang af recensies schreef, terwijl hij later de redactie mee op zich nam (1882).

Zie over het geschrevene ook Deissmann in „Adolf von Harnack zum 70. Geburtstag, Sonderdruck der Kartell-Zeitung des Eisenacher Kartells Akademisch-Theologischer Vereine", 1921, nr. 7, p. 3.

•) Deissmann, a.w.