is toegevoegd aan uw favorieten.

Adolf von Harnack, voornamelijk als dogmahistoricus

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Een tijdlang heeft Harnack, die in zijn vroegere periode niets, maar dan ook letterlijk niets met de «rationalisten gemeen had, zich er toch door laten beïnvloeden, of liever, zich met hen laten beïnvloeden door de apathische en pessimistische houding der modephilosophie.

Reeds van den Harnack der laatste oorlogs- en eerste na-oorlogsjaren schrijft Deissmann, dat hij „blokkadezermürbt" *) was, en de verschillende publicaties van dien tijd bevestigen het. In zijn lezing van 1917 „Die Sicherheit und Grenzen geschichthcher Erkermtnis" komt het reeds even uit, maar in 1920, zoowel in zijn rede „Vom Nützen und Nachteil der Historie" als in „Was hat der Historie an fester Ërkenntnis zur Deutung der Weltgescbichte zu bieten", is bij vrij sterk Nietzschiaansch gestemd en waardeert bij Spengler op een wijze, die bij den humanist en historicus zeer sterk bevreemdt *).

En al mag het overdreven zijn, zooals sommigen een verband hebben gezien tusschen Harnacks uitgave van zijn Mardon in 1921 en het irratiorialisme, het verband te loochenen is evenzeer onjuist. Het mag dan wel geen openlijke capitulatie zijn geweest, het was evenmin een op het juiste moment zich tegenover deze strooming plaatsen. Vedeer moeten.we erkennen, dat de uitgave nu een coïncidentie was, die niet te hoog mag worden aangeslagen, maar waarbij in het oog moet worden gehouden, dat Harnack zijn leven lang zich met Mardon heeft bezig gehouden en hem heeft gewaardeerd. Hem gewaardeerd dan, niet als cultuurverachter, maar als criticus van het Nieuwe Testament en van de toenmalige Christelijke theologie *).;

Maar tevens is er toch verwantschap. Wat Harnack er toe bracht om Mardon, ook waar hij den cultuurhistoricus en cultuurvereerder niet sympathiek kón zijn, toch te verdragen, was, naast het pasgenoemde, de waardeering daarvoor, dat Mardon poogde het Godsgeloof en het natuuronderzoek, de aanbidding van een Hoogste

l) 70e Geburtstag, t.p.

*) 1917: München; Erforschtes und Erlebtes, 3 v. 1920 a). Neue Züricher Zeitung, 27 Oct. 1920.

b) Arau een lezing; Erforschtes und Erlebtes, 171 v.; cf. hierover L. Köhler in „Der Lesezirkel", Juni 1930. Zie ook K. L. Schhidt: Theol. Blatter 1930, no. 9, p. 173. *) Zie voorwoord „Mardon"'1921, Leipzig.