is toegevoegd aan uw favorieten.

Adolf von Harnack, voornamelijk als dogmahistoricus

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

lans te breken voor de niet-Roomsch-Katholieke bevolking van Italië*).

Verder verkeerde Harnack veel met zijn gedachten in het verleden en zoowel hierdoor als doordat hij vele dooden te betreuren had, is het aantal herirmeririgsartikelen, dat hij schreef, groot. Zij werden, of worden, in een ander verband besproken *).

Maar het meest merkwaardige in dezen rusttijd is bij Harnack de toenemende religieusiteit, uitkomend in zijn meditaties, in zijn belangstelling voor rehgionsphilosophische vragen, in zijn leven te Elmau.

Niet dat zijn verdieping van religieus leven pas van dezen tijd dateert. Ik wijs slechts op een paar preeken in de Universiteit uit de oorlogsjaren, 1917 en 1918. En welke preeken!

Over Matth. 13:33 preekte hij, over het Rijk_ Gods_ als een zuurdeeg. En hij heeft de verdienste boven enorm veel van zijn tifdgenooten, ook boven één zijner andere preeken *), dat bij den oorlog laat rusten en werkelijk preekt, spreekt tot zijn hoorders persoonlijk.

. Hij wijst er op, dat het Rijk Gods komende is en toch aanwezig, dat ook de dagelijksche arbeid er toe behoort; dat het is de heerschappij van Gods wil en Gods genade onder ons, „so umfassend wie das menschliche Leben und so tief wie die menschliche Not" — „das wir fest und unbewegt als kinder Gottes mitten in dieser Welt stenen und zunehmen im Werk des Herrn in der Zeit und bis zur Ewigkeit".

Hij zegt, dat naar de tekst, het Rijk Gods geen vernis is, al wordt het soms zoo vertoond; dat het evenmin is een „Atzmittel", maar dat men midden in zijn beroep en in de wereld het kan bevorderen; dat het ook geen toevoegsel van het leven is, geen Zondagshouding, maar innerlijke kracht.

Maar in de vraag, waar dan het Rijk Gods is, is Harnack weer de zuivere humanist, die het Rijk Gods vindt in elke overwinning van zelfzucht, in elke dienende hefde, in alle goede ordening en

i) Brief an Alexandro Chiapelli. La Semaine religieuse, no. 22, 1929.

•) Ik som hier alleen op: Dante 1921; Goethe 1922; Ritschl 1922; Troeltsch 1923; Baudissin 1930; Kant 1924; „Zeitgenossen" 1929; Jubileum THLZ. 1926; Von Giercke 1921, etc.

s) Over het net uitwerpen 1919; Erforschtes und Erlebtes 403 v.