is toegevoegd aan uw favorieten.

Adolf von Harnack, voornamelijk als dogmahistoricus

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Harnack was volstrekt geen theoloog in den gewonen zin van het woord. Het waren niet zoozeer de theologische vraagstukken, die hem boeiden als wel de menschehjke „Institutionen": Dogma, Canon, Kerk, — maar ook: de Academie, en de Kaiser Wilhelm Gesellschaft en de Bibhotheek1).

Als docent was Harnack indrukwekkend. Hij was geen „studentenvader", hoewel zijn omgang met de studenten vriendelijk was. Maar het was de vriendelijkheid van den grooten aristocraat, de minzaamheid van den geleerde. Het was ook de geleerde, die boeide. Van nature, "niet door oefening, een redenaar, was het zijn scherpe visie, zijn „Unmittelbare Geistesgegenwart", zijn scherp oordeelsvermogen, dat het alles deed leven, alles deed flitsen, als hij sprak. De groote figuren van de geschiedenis leefden voor het gehoor, dat de hefde voor het object voelde in de woorden van den redenaar, die met heldere gedachten eenvoudig en rustig doorsprak en warmte gaf aan de schijnbaar meest dorre stof. Vloeiend sprak bij niet, niet elegant, maar meesleepend, dwingend om te' luisteren. Vooral als hij over Marcion sprak of over Augustinus of over Goethe, waren de studenten onder beslag van zijn machtige zeggingskracht *).

Hij gaf colleges over Kerkgeschiedenis, Dogmahistorie, Symboliek, Einleitung Nieuwe Testament, Wesen des Christentums, Vater Unser, Goethe, Confessiones van Augustinus, etc etc

En als hij schreef, was zijn stijl meesterhjk, schilderachtig, gemakkelijk te volgen, ook bij de meest ingewikkelde vraagstukken; zoodat één zijner vereerders de verzuchting slaakt, waarom

') Lietzmann, a.w., p. 6.

Hij leerde niet zijn theologie, maar leerde de theologie de historie verstaan, zegt

von der goltz, a.w.

*) Lic. W. Bülck, in Ost Pr. Zeitung, 10 Mei 1921. N. Rott. Crt., 12 Juni 1930.

Bauke, 70e Geburtstag, meent nog wel van „studentenvader" te kunnen spreken in den eersten tijd.

Weinel, a.w., zegt, dat zijn leerlingen hem hef hadden; hij is de eenige, die het zegt.

Lietzmann, a.w., p. 4.

E. Seeberg, a.w., p. 18.

Deutsch allgem. Zeitung, 7 Mei 1921.

Brown, Exp. Times, Deo 1930, p. 102, zegt: I cannot recall having met any else whom I would have heard for ten hours a week for two successive years without a single sensation of fatigue".