is toegevoegd aan uw favorieten.

Adolf von Harnack, voornamelijk als dogmahistoricus

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Deze hoogere religie vat hij op als in den grond een persoonlijke worsteling met God en om God, als een „Streben", ein festes Verhalttiis zum Ewigen und Guten zu gewinnen"; als „eine Bestimmtheit des Gefühls und des Willens, sich grundend auf inneren und geschichthchen Erfahrungen"; als „ein höheren Selbsterhaltungstrieb, der aber in der christhchen Religion nicht bezogen ist auf das empirische Ich und das irdische Leben, sondern auf einen innern Kern dieses Ichs, der in einer anderen Welt, der Welt der Freiheit und des Guten, seine eigentliche Heimat erkennt" „Die christhche Religion ist etwas Hohes, einfaches und auf einen Punkt Bezogenes; ewiges Leben mitten in der Zeit, in der Kraft und vor den Augen Gottes" *).

Deze uitspraken doen reeds vermoeden, dat het religieuze leven vrij wel samenvalt met, of althans een onderdeel is van dat hoogere leven, waarover we reeds spraken. Dat is dan ook de bedoehng. De wereld van dit hooger leven „Das Reich Gottes" is niet gebonden aan een bepaald begrip of aan een bepaalde voorstelling van God; „Gotteserlebnis" en andere „Erlebnisse" gaan samen; men moet niet zeggen, dat een Kantiaansch of pantheïstisch Godsbegrip valsch is in tegenstelling met het ware, want alle tegenstellingen zijn hier tegelijk Stufen. Het rijk Gods is gebouwd op den onderbouw van de natuur en tevens de bevrijding daarvan, een rijk van „Selbstentauszerung" ten bate van een beter zelf*).

Zooals uit het bovenstaande blijkt, kan men „ewiges Leben"

die Hauptsache gemein." „Nachwort" bij de vertaling van Carpenter W. B.: Die Apologie der Erfahrung Preusz. Jahrb., 155/1—26; 1914.

Zie ook interview met Rev. Rushbrooke. Cbr. Welt, 1911, kolom 756/7. De hoogere religies (en de lagere dan?) zijn als „Stufen, nicht als Gegensatze aufzufassenjd. ook de opmerking van Wobbermin, Wesen und Wahrheit der Christentums, Leipzig 1925, p. 13 v., dat Harnack indirect wel degelijk van de algemeene Rehgionsgeschichte uitgaat, hoewel hij het niet tiitdrukkehjk zegt.

>) Aus Wissenschaft und Leben, IL p. 56. Aus der Friedens- und Knegsarbeit, p. 206.

>) Wesen des Christentums, p. 5.; cf. hiermee Harnacks oordeel over de Religionsgeschichtliche methode, die alles vervlakt; zie deel L P-120 v.

•) Aus der Werkstatt, p. 52 v. Reden und Aufsatze, IL P- 13. Zie bij „Die rel. geschichtliche Bedeutung der Reformation Luthers'*, 1926, Aus der Werkstatt, p. 86 v., de uitspraak, dat de „gewaltige Predigt" van de Godheid tegenwoordig met meer buiten, maar binnen het menschelijke leven valt. Een poging tot combinatie van Goethe met sommige gedachten van Luther.

cf. ook het gezegde deel I, p. 124 v.