is toegevoegd aan uw favorieten.

Adolf von Harnack, voornamelijk als dogmahistoricus

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Aangaande de pastoraalbrieven van Paulus aanvaardt Harnack zonder nadere bespreking de gedachte van Jülicher en Holtzmann, dat ze niet van Paulus zijn, maar wel een Paulinische stof tot grondslag hebben. De hoofdredactie valt niet na 110, daar Polycarpus ze kent. De geestelijke stand wijst op niet veel voor 100, dus 90—110 is een goede tijdbepaling; cf. ook de plaatsen over de zonde in 1 Tim. 6 :12 v., 2 Tim. 2 :1 w. etc Jonger zijn 1 Tim. 6 :17—21; 3 ; 1—13; Titus 1 :7—9; 1 Tim. 5 passim. Deze stukken zijn later toegevoegd. Door canonisatie zijn de brieven voor latere veranderingen bewaard; daardoor ook alleen1).

Harnack is hier zijn eigen methode bij de Lucas-geschriften ontrouw geworden, om aan de klem van deze brieven te ontkomen, dat de kerkopvatting der „oud-Protestanten" de nieuw-Test amentische en Paulinische is. Hier is van onbevooroordeeld onderzoek geen sprake meer ■).

Harnacks canonbeschouwing is beheerscht door de tendenz, den grond voor de dogmata der christelijke kerk te ondergraven; hij meent deze autoriteit in de wereld der religie te moeten ontkennen, maar doet dit op subjectieve, niet op wetenschappelijke gronden.

getica, II, p. 68 w); Pater van Breda in „De Katholiek", 1901, p. 529 v. Greydanus, Kommentaar N.T. XIII, p. 386/7, op 1 Joh. 1 :1, p. 350/8, 366 v.v. n>. XIV, p. XIII w. Inleiding op de Openbaring. Grosheide, Eenheid der Nieuw Testamentische Godsopenbaring, p. 21. Zie verder boven. l) Chronol. I, 480/3, 710/1.

Zie ook Kirchenverfassung over de plaats van deze brieven, p. 49 v.

•) Verder zij hier verwezen naar de verdediging dezer brieven door Theod. Zahn, „Einleitung in das neue Testament". 1906; cf. Lehrbuch, L p. 402 v.

Harnack moet erkennen, dat reeds Polycarpus de Pastoraalbrieven van Paulus erkent; Briefsammlung des Ap. Paulus, u.s.w., p. 14; hij is hier verder met het ontstaan van deze brieven verlegen (p. 15 v.).