is toegevoegd aan uw favorieten.

Adolf von Harnack, voornamelijk als dogmahistoricus

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

eenen kant te ruim en aan den anderen kant te eng ïs^Dat de Erkenntnis Gottes" en de „objektive Inhalt der Religion met in het dogma opgaan, is juist betoogd. En dat de „Erkenntms der Welt" door de kerk zou worden in haar geloofsleer opgenomen, is toch wel wat erg onzuiver geformuleerd

Maar aan den anderen kant is deze korte inhoud zeer otwolledig. Er zijn tal van waarheden, die niet onder deze drie te subsumeeren Zijn, tenzij men het eerste opvat in den zin van „Godsopenbaring en dan vallen de twee laatsten weg. Maar, zooals Harnack het blijkbaar bedoelt, zou een opsornming minstens nog moeten vermelden: den mensch in zonde, de wedergeboorte, de Christologie, de ecclesiologie. En practisch heeft Harnack zich hieraan ook met gehouden. Zijn Dogmengeschichte is geen geschiedenis van dit dogma, maar geschiedenis van het Christologisch dogma. Het andere krijgt de plaats van entourage, niet meer 2).

Veel juister is het dan ook, te zeggen, dat de inhoud van de dogmata is de kennis Gods, in de Heilige Schrift ons geopenbaard, en dan in de omschrijving te laten uitkomen, dat dit een limiet is, dien we nooit bereiken. Trouwens, over de verhouding tusschen dogma en Heilige Schrift is Harnack hier onduidelijk. „Auf dem Fundament" zegt bij Harnack zoo veel en zoo weinig, als hij zelf wil.

Ernstiger wordt ons bezwaar, als Harnack spreekt over de „für ein wissenschafthch-apologetische Behandlung ausgepragten" dogmata. Wel corrigeert hij dit later tegenover Sabatier, door toe te geven ), dat er een „symbolisch" element in het dogma zit, voorzoover het „Ausdruck rehgioser Empfindung" is en gaat hij zelfs zoo ver te zeggen, dat het in de christelijke rehgie tot het wezen der zaak behoort een „ganz bestimmten Inhalt" te hebben en dat het in zoover zonder dogmata niet kan zijn, d.i. „ohne klaren Ausdruck seines Inhalts"4).

Ook geeft hij toe, dat er een gebruik van het woord dogma is, waarbij het beteekent die „bestimmte Darlegung des Inhalts des

*) Zie ook Lehrbuch, I, p. 19. „. •) Over het voor en tegen hiervan maakt Aulen aardige opmerkingen. Chr. Gods¬

beeld, p. 7 v.

») Lehrbuch, I, 24, Opmerking 2. 4) ta.p.