is toegevoegd aan uw favorieten.

Adolf von Harnack, voornamelijk als dogmahistoricus

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

wird, ein schwere ScMdigung des Protestantismus bedeutet1).

Harnack noemt de beschouwing van de post-Reformatorische periode „Rehgionsphüosophie" en geschiedenis der theologie; dit nu is niet juist. Het kan ook wel degehjk uit dogma-historisch oogpunt beschouwd worden. Al zeggen we daarom niet met W. A. Brown, dat het „is much to be regretted" dat Harnack deze periode niet behandeld heeft *). Doch Harnack is meer consequent dan de genoemden. Neemt men als dogma het Roomsche dogma, dan is inderdaad voor het Protestantisme de Dogmageschiedenis afgeloopen met begin der zestiende eeuw en heeft het Protestantisme geen Dogmageschiedenis. Maar neemt men als Dogrnaomschrijving een formule, die althans tracht een zuiver geluid te geven, dan is het afbreken bij de laatste formuleeringen van eenigen omvang onjuist8). Geschiedenis van eenige zaak of beginsel is niet alleen die van het ontstaan, maar ook die van het verder verloop, van de ervaringen, die het doormaakt, van de lotgevallen die het wel niet doen veranderen misschien, maar die dan toch een meerdere of mindere erkenning beïnvloeden, en van zijn tendenzen, om zich misschien later te wijzigen of te handhaven. Inderdaad behoort er ook bij wat „aus Dogma wurde" *). Men mag de geschiedenis van het dogma niet laten eindigen ergens bij een vast punt. Om de beteekenis van het dogma in de historie te begrijpen, is o. a. de strijd in Duitschland en Nederland om het dogma ni de vorming der confessies van even groote waarde en belang als die er voor.

De dogmageschiedenis gaat ook door, al komen in langen tud geen . nieuwe formuleeringen tot stand. Anders zou een nieuwe

») Lehrbuch, I, p. 7. cf. ook ib. IIL 668 v. .

Maar ook wordt in deze uiteenzetting duidelijk, wat Harnack onder Reformatie verstaat.

*) Esp. Times, p. 102. .

») Men kan uit practische gronden de laatste penode „summarisch behandelen (Loofs, Leitfaden, p. 9), maar moet toch principieel vasthouden aan wat Loofs zegt: „dasz die christhche Dogmengeschichte.... bis zur Gegenwart lanft, ist an sich selbstverstandhch" (a.p.), Dat Loofs dit niet doet, is te bejammeren; cf. zijn artikel PRE. IV, p. 763, waar hij zakelijk in de Hjn van Harnack komt.

En dat de geschiedenis volgend op de groote confessies wel wordt behandeld in de lezingen over de geschiedenis der theologie is geen argument om ze met ook m de dogmageschiedenis te bespreken (Seeberg, Lehrbuch, L 17, noot 1).

*) tegen Seeberg, t.a.p.