is toegevoegd aan uw favorieten.

Adolf von Harnack, voornamelijk als dogmahistoricus

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

die Jezus verkondigde, reeds had1), hoe ook het Christendom eigenhjk als syncretistische rehgie begon, daar de eerste Jodenchristenen reeds allerlei verstellingen van gemengde afkomst overnamen *), Jezus is uit deze dingen niet te verklaren, evenmin als uit sociale ornstandigheden en pohtieke onrusts). Al heel spoedig was de prediking van Jezus tot op de hoogte, waar de band met Jodendom en „Zeitgeschichte" losser werd4).

Uit het hier gezegde wordt voldoende duidehjk, dat de critiek op Harnacks Christusbescbouwingen in deel II volkomen gerechtvaardigd is6). Jezus Christus is in Harnacks beschouwingen niet meer dan de groote persoonlijkheid op een keerpunt in de historie, die, als elke groote man, als elke profeet, zijn innerlijk leven, zijn kracht en frischheid en vuur nieuw heeft, maar die overigens afhankelijk is van zijn omgeving en afkomst. Harnack zegt wel andere dingen, maar trekt die bijna even vlug weer terug.

Want ook verder voegt hij Jezus geheel in de rij der de ontwikkeling van het Christendom beheerschende personen, zooals Harnack die Ziet, in. En volgt daartoe de methode Jezus' werk te beperken.

Zoo heeft Jezus veel dingen niet gedaan, die hem de Christenheid van alle eeuwen toegeschreven heeft. Hij heeft „keine neue Lehre gebracht, sondern hat ein heiliges Leben mit Gott und vor Gott in seine Person vorgesteUt und hat in Kraft dieses Lebens sich in den Dienst seiner Brüder begeben um sie für das Reich Gottes zu werben" *).

Wel heeft hij zichzelf als Messias erkend. Hoe hij daartoe gekomen

») Wesen, p. 79/80, 10, 21/2.

Lehrbucn, I, 48, 51, 4. Het Christendom had geen hooge vlucht kunnen bereiken, als de Joden niet reeds tot die hoogte geklommen waren. ») Lehrbuch, I, 49, noot I. ») Wesen, p. 10.

*) Wesen, p. 10. Wat beteekent dit? Waar is die hoogte ?

') cf. p. 196 v.; cf. behalve de daar geciteerde hteratuur, ook nog A. S. Pike, The Nature of Scripture, London, 1922, p. 260 v., waar ook gewezen wordt op het verband tusschen Jezus en het Oude Testament; zie voor het laatste ook p. 207 van dit werk.

6) Lehrbuch, I, 48/9. Zie ook Marcion, p. 7.

Opmerking verdient, dat Harnack zijn Voraussetzungen (Lehrbuch I) oorspronkelijk met dezen zin begon, maar ze later deed voorafgaan door een breede omschrijving van de „zeitgeschichtliche*' plaats van het Evangehe. Dit is een symptoom van de gesignaleerde toenadering tot de Religionshistorici. cf. deel L p. 122, ea.p.