is toegevoegd aan uw favorieten.

Adolf von Harnack, voornamelijk als dogmahistoricus

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

I En is eigenlijk in de tweede eeuw een geheel nieuwe periode begonnen met alleen Grieksche invloeden? En de later geschetste machtige Oud-Testamentische factor dan? Het heeft er veel van, dat K. L. Schmidt gehjk heeft met rijn zeggen: „Unter den Zwang seiner These steht, Paulus habe in der alten Kirche so gut wie I nicht gewirkt" *). Ja onder den dwang van rijn these, dat het Christendom van de tweede eeuw en later zoo los mogelijk moet staan van het oorspronkelijke. En dat is weer noodig voor de stelling, dat dogma, kerk en canon eigenhjk decadentie-producten I zijn voor den lateren tijd en van den Griekschen geest. Als Harnack 1 eens niet geprobeerd had de eerste jongeren van Jezus, en Paulus weer van deze los te maken, maar de eenheid van het Nieuwe Testament, waar hij zulke aardige dingen over zegt *), eens werkelijk had aanvaard 8), dan zou hij de geheele oudchristehjke verkondiging aan het begin van de tweede eeuw als grondslag voor het dan volgende leven en denken hebben erkend en niet gevraagd naar de afzonderlijke werking van één der schrijvers en van zijn „theologie".

Trouwens, ook Johannes heeft, merkwaardigerwijze, geen invloed gehad van eenige beteekenis. We hebben er reeds op gewezen, dat voor Harnack Johannes niet meer is dan iemand, die heel goed ï weergeeft den indruk, dien Jezus op rijn jongeren maakte, maar die I tegelijk de gegevens omwerkt*). Het is dan een wonderlijke geschiedenis. Aan den eenen kant is Johannes de bederver, die met souvereine vrijheid „gewaltet hat" en een geheel eigen beeld van

») a.a. Theol. Blatter.

Schweitzer, a.w.- p. 39, wijst er op, dat althans het „Urchristentum" Paulus begreep en deze er van uitging, dat men hem verstond.

■) cf. zijn schijnbare blijdschap over het feit, dat we in dat nieuwe Testament een combinatie hebben van de Synoptici", Paulus en Johannes, Lehrbuch, I, 108, Mission

289 v. . .

cf. ook de uitspraak, lehrbuch, L 155, dat het Nieuwe Testament wel geen „emzigartige Literatur" is, maar dat wel „zwischen seiner wichtigen Bestandtede und die Literatur der nachsten Folgezeit eine tiefe Kluft" ligt.

cf. voor de eenheid tusschen Paulus en de oude Christenheid ook E. Brunner, a.w.,

P ») cf! Grosheide, „De Eenheid der Nieuwe Testamentische Godsopenbaring", a.w. passim. «) Zie ook Wesen, p. 13/14.

Dat is dan natuurlijk de indruk van de tweede hand; of is Johannes de Presbyter ook al een hoorder van Jezus geweest?