is toegevoegd aan uw favorieten.

Adolf von Harnack, voornamelijk als dogmahistoricus

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Athanasius os. en door het geloof in de Opstanding des vleesches (hoe?) maar het verkeerde beginsel is daarmee toch gegeven1).

Hier nu is Harnacks dogmatisch interesse openbaar. Hij wil een praeëxistentie in den zin van een bij God, in Gods gedachte aanwezig zijn van den Christus, die daarna zoo in de verschijning [treedt. En nu wil bij daarmee alle Schriftuitspraken in overeenstemming brengen. Maar dat gaat niet. Dat de geboorte uit de maagd een stuk van de oudste verkondiging is, wordt niet uitgesloten door de weinige uitspraken daarover, maar door Harnack verworpen in ongeloof. Al zou deze geboorte latere reflexie zijn om de geboorte van een Zoon Gods te „verklaren", dan is daarmee nog niets in Harnacks richting bewezen. En trouwens, plaatsen als GaL 4:4 (èSaTiéaxeiXev 6 i»«Jc rov iióv atörov met yevópevov èx ywaacóc), \ Matth. 1:20 v. verbonden met Rom. 8:3 spreken een duidelijke taal *).

En het eeuwige Zoonschap van Christus naar de Schrift loopt niet parallel met de door hem beschreven Joodsche (Macc) prae|existentie, maar is daarvan totaal verschillend*).

De laatste, vooral waar ze allerlei zaken en personen in reëelen I zin praeëxistent maakte, is niet door de Christenen overgenomen, mag ook Hermas de wonderlijkste speculaties er op na hebben gehouden. Maar Hermas is geen maatstaf*).

En Paulus verschilt bier van het „oudste Christendom" volstrekt i niet. Het spreekt bijna vanzelf, dat de reflexie over den zin van de \ beide waarheden: „het Woord was bij God", en „het Woord is vleesch geworden" pas later begon, en dat de beschouwing van het vierde Evangehe veel minder reflexief was dan die van de brieven | van Paulus. Maar daarmee is een principieel verschil tusschen Johannes en Paulus in Phil. 2 e.a.p. niet aanwezig. En het Johannes-

>) ib, I, 804/5.

a) Zie vooral ook Referat der Synode, genoemd op pag. 48 v. van dit werk, p. 28 v.

») cf. Jenkins, a.w., p. 600, 607 v. Zie hiervoor P. Fetot, a.w., p. 36 v.; auch diese Hypothese geht von der Voraussetzung aus, dass transcendente Einflüsse bei die Entstehung des paulinischen Christusbildes auszuschliessen sein", p. 36.

Feine bestrijdt verder deze theorie en wijst op het Christusbeeld van Paulus als van dat der latere Joodsche theologie totaal verschillend, p. 37 v., 51 v.; tevens op de onmogelijkheid, dat Paulus dit vreemde Christusbeeld met dat van de Evangelieen zou hebben geïdentificeerd.

4) cf. Jenkins, a.w., p. 607.