is toegevoegd aan uw favorieten.

Adolf von Harnack, voornamelijk als dogmahistoricus

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

gesc_uedenis en de antieke Rehgionsgeschichte, waarin hij een Overeenkomst riet tusschen hjn Apologeten—Irenaus, Tertullianus, Hyppolitus—de Alexandrijnen—Methodius en de Cappadocieers— Dionysius Areopagita, èn de üjn Seneca—Marcus Aurelius— Epictetus—Plotinus en Porphyrius—Jamblichus en Proclus 1). I Als algemeene teekening zegt hij, dat aan de orde waren de tegenstellingen: ziel—lichaam, God—wereld; de sublimeering van de Godheid, de ,,Erniedrigung der Welt"; het verband met het vleesch is vernederend; de begeerde verlossing vraagt kermis en verzoening en dat wel „Stufenweise"; mysteriën; wereldkennis en rehgie en ethiek is één»).

Wat die ethiek betreft, deze stond op een zoo hoog peil, dat ze l^im Einzelnen einer Steigerung kaum mehr fahig ist"*). Wat ontbrak was een zekere openbaring en een geschiedenis; beide gaf het Christendom.

Zoodat het de bedoeling is, dat, terwijl Harnack voor den allereersten tijd den griekschen invloed gering acht en alleen door het Jodendom „vermittelt", en in de derde eeuw en vervolgens een geheele Helleniseering van het Christendom aanneemt, dit laatste proces reeds in de eerste dagen van het heidenchristendom begonnen is en voordien voorbereid4).

Veel origineels is er dus in het Christendom, dat uit de Apostolische eeuw te voorschijn kwam, niet overgebleven. Het eenige, wat [test, is de persoon van Jezus naar Harnacks model met enkele van zijn uitspraken die zijn blijven bewaard; de rest is of wordt door [jodendom en Griekendom geschapen of omgevormd.

De afhankelijkheid is zj. aan den kant van het Christendom; dit is een religionsgeschichthche trek bij Harnack; cf. deel I, p. 121 v.

!) Lehrbuch, I, 146/7. Zie hierover later. I *) Mission, p. 35/5.

') Lehrbuch, I, 141/2.

«) Aulen doet dus niet geheel juist door een tegenstelling te maken tusschen Harnack en hen, die de scheidmgshjn trekken tusschen Christus en de Apostelen. Harnack trekt 2 scheidingslijnen; cf. Chr. Godsbeeld, p. 14. Vooral in den latexen tijd nadert Harnack hoe langer zoo meer de Rel. gesch. school; I cf. Entst. chr. Theologie, p. 16: Het Evangelie kwam aan de Grieksch-Romeinsche behoefte tegemoet; „Das Ev. war in seinen letzten Kerne, d.h. in seiner gesch. Wirkhchkeit (sic!) nicht eine neue Mythus, neben anderen, sondern der erfüllte Mythus"; " cf. dit met wat vroeger gezegd werd; deze uitspraak dateert uit 1926; cf. echter ook reeds Mission, p. 71 v.