is toegevoegd aan uw favorieten.

Adolf von Harnack, voornamelijk als dogmahistoricus

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Harnacks verdediging tegen de argumenten van Loofs en Seeberg, die heel dit Adoptianisme naar het gebied van de fantasie verwijzen, is dan ook zeer zwak 1).

Harnacks bewijs voor Ignatius' docetisme staat niet sterkEn zijn ontkennen van een tweenaturenleer is onzuiver. Harnack kan zich blijkbaar niet voorstellen, dat het leven altijd aan de reflexie voorafgaat en dat men, waar men de Godheid van Christus beleed en Hem als een „Geistwesen" dacht, dat neergedaald was en een menschennatuur had aangenomen, geen behoefte nog had om te reflecteeren over de verhouding van Goddelijke en menschelijke natuur, en toch zakelijk hetzelfde bedoelde als in de latere formuleeringen daarvan *). Men legde grooten nadruk op het leven, men spande Zijn uiterste krachten in de verkondiging van het Evangehe aan de heidenen vergezeld te doen gaan van een hoogstaand christehjk leven en legde nadruk op de ethiek (dit is nog geen moralisme!) 4), zoodat men pas later er toe kwam de begrippen nauwkeurig te onderscheiden. Harnack moest eens bij de zendelingen en de eerste tegenwoordige gemeenten uit heidendom en Mohammedanisme in de leer zijn gegaan. Bij de spaarzamelijke hteratuur en bij de theologische onbekwaamheid van de vaders, bij hun bijna uitsluitend practisch arbeiden en citeeren van de oudere geschriften, moet Harnack de bewijslast op zich nemen, hoe gedachten als die van 2 Cor.

boven, deel 1). ef. de critiek van Jenkins a.w., p. 597.

Ook werd men in dezen tijd wel uit de kerk gestooten, Chron. I, 293. cf. de geschiedenis van Marcion. Alleen om levensdelicten?

*) Zie Seeberg L p. 119 v., 121 v., 134. Loofs, PRE ÏV», 23 v.

Harnack, Lehrbuch L 215, noot 3.

Seeberg wijst op de uitdrukkingen in het N.T. die ook beide kanten van Christus naar voren brengen; hoewel ook Seeberg niet scherp genoeg formuleert.

cf. Bavinck I, 11 v., over het practisch georiënteerd zijn en het onzeker spreken van de apostolische vaders.

«) Zie daartegenover Greydanus, Menschwording en vernedering, Wageningen 1903, welke p. 4 v. Ignatius citeert met duidelijke handhaving van de beide zijden van Christus' bestaan.

*) cf. voor Harnacks erkenning van geen diepe reflexie. Lehrbuch I, p. 220 v.

cf. voor den inhoud van het Christologisch belijden als zakelijk één met het nieuwe Testament Seeberg I, p. 211 v.

*) Dat ook vergeving der zonden etc werden beleden zie Seeberg I, 144 v. 148 v.

cf. Harnack, Lehrbuch I, p. 225 v., met Seeberg I, 168 v.

cf. Bavinck L p. 28, 138.