is toegevoegd aan uw favorieten.

Adolf von Harnack, voornamelijk als dogmahistoricus

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Verder trekt Harnack een lijn van de Apologeten naar Origenes. Hij zegt, dat de tweede eeuw van het Christendom begint met Aristides en eindigt met Origenesl); „in der christhchen Apologetik, wie sie bereits vor der Mitte des zweiten Jahrhunderts aufgekommen ist, stellt sich der Anfang einer Entwickelung da, welche hundert Jahre spater in der Theologie des Origenes, das heiszt in der Umsetzung des Evangehums zu einem kirchhch-wissenschaftlichem Lehrsystem ihren vorlaufigen Abschlusz erreicht hat" *), en: „Das Christentum eines Justin, Athenagoras und Minucius ist um nicht weniger hellenisch als das des Origenes" *).

Nu hebben de Apologeten inderdaad het Christendom niet genoeg zuiver gehouden van de philosophie en te veel zich op het standpunt van den te overtuigen tegenstander, i.c. den keizer, geplaatst, om dezen te laten zien, dat het Christendom niet vijandig stond tegenover de „Bildung", maar tegenover den heidenschen godsdienst. Zij hebben door de scherpe tegenstelling tegenover de laatste teveel vergeten, dat de heidensche philosophie uit denzelfden wortel opkwam en niet de kracht gehad een eigen philosophie op te bouwen in samenhang met het Christendom.

En daarbij hebben ze werkelijk — en Harnack heeft de verdienste dit ook aangetoond te hebben — zich niet genoeg rekenschap ervan gegeven, dat het Christendom niet met de Stoïcijnsche, Platonische en andere dergelijke philosophie mag worden vermengd. Vandaar, dat, als rij het waarheidselement in de heidensche philosophieën wilden aantoonen en spraken van den logos porphorikos, ze wel eens den indruk maakten den logos der Grieken principieel gehjk te stellen met den logos van de Schriftopenbaring. Het is dan ook foutief gedacht, dat het Christendom de voltooiing, de opheffing en het einde van de Grieksche philosophie is in den rin, dat de laatste een voorlooper is van het eerste4). Men kan echter in dit verband moeilijk van „de Apologeten" spreken, waar Tertullianus en

1) Lehrbuch I, 504 v. Dogmengeschichte, p. 116.

2) Lehrbuch, L 342. •) fl>., I, 343.

*) cf. hierover ook Bavinck I, 538 v., 375.