is toegevoegd aan uw favorieten.

Adolf von Harnack, voornamelijk als dogmahistoricus

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

4. De zegepraalvande„Logos-christologi e".

De Monarchianen van beide soorten stonden bij Harnack nogal in de gunst, getuige zijn definitie, dat zij zijn „diejenige Theologen, welche die Erlöserwürde Jesu festhielten, aber zugleich den Glauben an die pereöhliche (numerische) Einheit Gottes nicht aufgeben wollten und daher Gegner der Spekulationen wurden, die zu der Annahme der Zwei- resp. Dreieinigkeit der Gottheit geführt haben" *).

En onder deze richtingen is de adoptiaansche de meest bevoorrechte met Harnacks sympathie. „Die werdende kirchhche Dogmatik ist in stülschweigender, aber offenkündiger Protest gegen wichtige Züge des Christusbildes der Synoptiker. Das haben die sogenannte adoptianische Monarchianer um das Jahr 200 bemerkt"*).

Van deze Satzen nu kan bijna gezegd worden, wat Harnack later van Athanasius uitroept: quot verba tot scandala. Wij komen hierop terug ter plaatse, waar Harnack zelf dieper op deze vraagstukken ingaat, maar hier moet toch reeds opgemerkt, dat een blijkbare nevenstelling van „persönhche" en „numerische" eenheid Gods getuigt van onbekendheid met de diepte der vragen. Wat Harnack bedoelt met persoonlijke veelheid (die tegenover deze eenheid staat) is niet de driepersoonlijkheid Gods van de Christelijke behjdenis, maar (zooals we later zullen zien) de veelheid van het Tri theïsme. Het is onjuist het voor te stellen, alsof de dogmata der vierde eeuw een „numerische" veelheid der „Gottheit" leerden8).

Dat de Monarchianen de „Erlöserwürde Christi" vasthielden, werd juist door hun tegenstanders bestreden: dat te zeggen (niet dat ze het wilden, maar dat ze het deden) houdt in, dat de „Erlöserwürde" van Christus onafhankelijk is van Zijn Godheid, en dat de kerk dus in het verwerpen van het Monarchianisme om rijn niet aanvaarden van deze Godheid zich religieus heeft vergist. Dit is echter geen resultaat van historisch onderzoek, maar dogmatisch vooroordeel. De kerk heeft steeds gezegd, dat de beteekenis van Christus als Verlosser pas tot volle uitdrukking komt in de behjdenis

1) Lehrbuch, L 705.

2) Briefs, p. 2, noot 2.

*) Zie later hoofdst. 4; ook op het woord „Gottheit" ware aanmerking te maken.