is toegevoegd aan uw favorieten.

Adolf von Harnack, voornamelijk als dogmahistoricus

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

erop, dat de onfeilbaarheid van de bisschoppen (het college, nooit de eenling) en de Synoden en concilieën aarzelend werden erkend, maar gaat toch er van uit, dat de conciliën eigenlijk voor onfeilbaar gehouden werden, hoe ook uit de feiten het tegendeel blijkt en dat een grondgedachte achter alle autoriteit is, „dasz der Kirche vermöge ihrer Verbindung mit dem heiligen Geist selbst eine Autoritat eingestiftet sei". Daarbij ziet bij een cirkelredeneering hier; om gezag te hebben, moet het concilie oude waarheden verkondigen, en omdat ze oud zijn, hebben ze later weer gezag *). Een leiding van den Heiligen Geest die vertrouwen geeft en de kerkelijke vergaderingen met gezag bekleedt, zonder dat dit een onfeilbaar gezag is en zonder dat die leiding voor menschelijke dwaling behoedt, kan Harnack zich blijkbaar niet voorstellen. En evenmin kan hij zich erin verplaatsen, dat de kerk aarzelde in het formuleeren van de houding tegenover dit vraagstuk. Dit hangt samen met Harnacks kerkbegrip. Hij citeert Augustinus' woord: „Ego vero evangeho non crederem nisi me catholicae ecclesiae commoveret auctoritas", evenals elders, op een wijze alsof Augustinus hier de autoriteit der kerk een onfeilbare noemt en boven de Schrift stelt. Terwijl het commovere niet meer behoeft te beteekenen dan: middel, leidster tot het geloof2).

Misschien is Vincentius Lerinensis' beschouwing over de traditie een voorlooper van de latere traditiebeschouwing, maar tevens is zij een overgang, waarin een juistere kijk nog niet geheel verloren gegaan is 8).

En dan is van een onfeilbare kerk geen sprake, zooals trouwens ook uit Harnacks weergave van het kerkbegrip blijkt4). Maar moet dan ook tevens het èlc in de apostolische geloofsbelijdenis beschouwen als niet voor ecclesia bedoeld *).

Dat ondertusschen een dogmatisch kerkbegrip niet bestond, is

') p. 91. cf. verder volgende pagina's, vooral p. 96 v.

Ook van de Apostelkerken, zelfs van Rome, schildert hij de autoriteit als wankel; p. 98 v.v. -) Lehrbuch, II, p. 91, noot 2. *) cf. Lehrbuch, II, p. 107 v., kleine letter. *) ib., IL p. HO/6.

*) Tegen Harnack, Lehrbuch, II, 110, noot 2.