is toegevoegd aan uw favorieten.

Johann van Heemskerck 1597-1656

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

van deze gedichten spreken als van een minderwaardig soort gelegenheidspoëzie. Dan zouden ook tal van verzen van Hooft

als gelegenheidspoëzie moeten worden bestempeld en

verworpen? De vriendschapsgedichten van dien tijd maken deel uit van den omgang. Ze behooren tot het onderling verkeer evenals een vriendendienst of een geschenk. En wie zou niet liever een geschenk ontvangen van een zijner vrienden, dat een geestelijke waarde inhoudt dan een louter materieel blijk van genegenheid? De een bood den ander zijn vers; die ander kon, of hij talent bezat of niet, niet nalaten er in versvorm op te antwoorden. Dat niet ieder daarbij tot hooge verskunst gestegen is, behoeft niet te verwonderen, doch de geringe waarde die het meerendeel dezer verzen bezit, verhindert niet, dat sommige gedichten in dezen trant, hoewel gelegenheidsgedichten, toch goede verzen zijn. Uit litterairhistorisch oogpunt ontleenen zij aan de wijze waarop zij ontstonden, zelfs een bijzondere beteekenis. Ook de Batavische Arcadia, onze eerste roman, dankt zijn ontstaan aan een vriendenreisje; toon en inhoud der gesprekken vloeien voort uit onderlinge vriendschap en genegenheid. Ik beschouw den kring van Leiden dan ook niet als een cénacle, waar zelfbewuste schrijvers in vriendschappelijk verkeer bijeenkwamen om met gewicht te debatteeren over vragen van letterkundige kunst of wetenschap. Omgekeerd, de kring van vrienden was er en men schreef, omdat het zoo hoorde, zonder pretentie, hoewel niet zonder liefde voor de litteratuur. Het is daarbij van beteekenis welken smaak en welke gaven de jonge vrienden van Van Heemskerck bezaten. Het schrijven van gedichten, zooals die waar ik hier op doel, brengt immers een groot gevaar met zich. Wanneer het onderling verkeer niet dringt tot dichten, maar men omgekeerd aan het rijmen slaat omdat het onderling verkeer dit eischt, is er gewoonlijk geen sprake meer van poëzie. Het gedicht, dat dan tot stand komt, indien wij in dit geval nog van een gedicht mogen spreken, dankt zijn ontstaan niet aan een stemming, aandoening of gedachte; het is er omdat het er wezen moet en suggereert een gedachte, die bij den schrijver, op het oogenblik waarin hij schreef, niet of slechts zwak bestond. Maerten Snouckaert gaat wel wat ver, wanneer hij Van Heemskerck eerst in een Grieksche spreuk uiting geeft van zijn vriendschap, *) daarna deze

*) Olftioi ol (pikéovres, èmjv ïaov avTsgawvrai; May kal: 1621.