is toegevoegd aan uw favorieten.

Johann van Heemskerck 1597-1656

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

vriendschap toelicht door een Latijnsch kwatrijn, vervolgens dit kwatrijn vertaalt en ten slotte nog eens in een afzonderlijk versje mededeelt, dat hij dit vriendschapsgedicht geschreven heeft, omdat hij met Van Heemskerck bevriend is. Vóór de onderteekening volgt dan een Latijnsche opdracht, waarin Martinus Snouckaert van Schouburg zegt, dat hij deze woorden geschreven heeft „testandi amoris ergo Musis, Gratijs, Amori, et Amicitiae dilectissimo juveni viro D. johanni ab Heemskerck". Plaatst men dergelijk geschrijf naast Van Heemskerck's bewerkingen der oden van Horatius, dan heeft men het gekunstelde tegenover het eenvoudige, het zinledige tegenover het doorvoelde. Ook een vers als het Klinck-Dicht, Geschreven in het Stam-Boeck van Iohan Brosterhuysen1) is eenvoudig, eerlijk en goed; alleen het beeld van het „heesche gequeeck van de schorre Gans" tusschen ,,'t soet gesangh der Swanen" valt uit den toon door zijn gezochtheid en is daarmede, poëtisch verwerpelijk, meer typeerend voor Brosterhuysen tot wien het vers gericht is, dan voor Van Heemskerck, die het schreef.

Geen der Leidsche vrienden, buiten Van Heemskerck, heeft ooit een bundel gedichten uitgegeven. Het is daarom moeilijk hun smaak en bekwaamheden te beoordeelen. Snouckaert is de schrijver van een tweetal tooneelspelen die verloren zijn; *) een enkel gedicht als het zooeven besprokene kan moeilijk voldoende zijn om ons een volledigen indruk van zijn persoon en werk te vormen. Iets minder onvolledig behoeft onze voorstelling te zijn van de gaven der andere vrienden. Bij alle drie vinden we een zucht naar het bijzondere: woordspeling, paradox, kernachtige zegging of gewilde vergelijking. De bekende wisseling der. sonnetten op het thema van Achilles en de Leeuweschoncken is hiervan het sprekendste voorbeeld.3) Ook de andere gedichten der drie vrienden, in verschillende 17* eeuwsche verzamelingen *) verspreid, toonen een gelijke opzettelijkheid in woordkeuze, bouw, beeld of rijm. Het verst gaat hierin Brosterhuysen, die naar de woorden van Jan Vos5)

*) Zie blz. 41.

2) Ajax en Procris (1621); Witsen Geijsbeek, Biogr. Anth. en Crit. Wdb. i. v.; Te Winkel, Ontwikkelingsgang der Nederl. letterkunde, dl. III blz. 144.

a) J. A. Worp, De gedichten van Constantijn Huygens, dl. I Arnhem z. j. blz. 197 vgg. *) Zie onder.

5) Jan Vos, Vreede tusschen Filippus de Vierde, koning van Spanje, en de Staaten der Vrye Neederlanden, Rotterdam 1648.