is toegevoegd aan uw favorieten.

Johann van Heemskerck 1597-1656

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

niet in zijn proza, wel in zijn poëzie. In zijn proza kiest hij een anderen vorm: de pastorale, in ons oog even dood als het mythologische motief, voor hem even levend.

Men kan intusschen moeilijk zeggen, dat de personen die in de Batavische Arcadia optreden, veel moeite hebben gedaan zich te vermommen. Niet slechts de toon der gesprekken duidt aan, dat zij geen herders en herderinnen zijn, doch er zijn ook andere factoren die dit duidelijk aanwijzen: de hopelooze Reynhert leest in een handigen Petrarca, die hij sedert het begin van zijn ongelukkige liefde bij zich draagt. *) Rosemond wordt aangeduid als landjuffer *); de overige leden van het gezelschap zijn naar evenredigheid juffers en jonkers. "Wanneer Van Heemskerck een enkele maal werkelijk personen uit het volk in zijn verhaal invoert, zijn deze geteekend met kwalijk verholen spot en minachting. Het tafereel van het onhebbelijk wijf uit de herberg3) is hiervan het sprekendste voorbeeld. Weinig herders ook zullen een zoo kostbare schilderijenverzamehng rijk zijn geweest als Radegond's oom Eerrijck blijkt te bezitten.4) Goud-leeren wandbekleeding was ongetwijfeld een zeldzaamheid in de woningen van herders; Huygens, Heinsius en Hooft was niet hun dagelijksche lectuur. Een enkele maal valt Van Heemskerck zelfs uit den toon, bv. wanneer hij beschrijftB) dat Waermond, in gedachten verdiept, op een duintop gaat zitten, „alwaer hy in 't verschiet vertoonde een eensamen Herder, die terwijl sijn schaepjes op 't teere grasje voeden, hemselven met duysent soete gedachten is voedende." Elders6) spreekt Reynhert over ,,'t rouwste van 't Alpische geberghte, waer niet dan wetenloose herders en woonen." In beide gevallen is het woord „herder" op andere wijze gebruikt dan in de Batavische Arcadia past.7)

Wanneer men zich nu de personen der Batavische Arcadia voorstelt als aanzienlijke Haagsche of Leidsche jongelui, dan is er nog wel veel gemaniëreerds in den toon, maar staat het werk, naar mijn meening, toch dichter bij de realiteit dan men gewoonlijk vermoedt. Reeds dadelijk zij dan opgemerkt,

*) Bat. Are. blz. 4.

2) Bat. Are. blz. 13; in den eersten druk staat zelfs „Landt-vrouw."

3) Bat. Are. blz. 9 en 10.

4) Bat. Are. blz. 182 vgg. ») Bat. Are. blz. 44.

6) Bat. Are. blz. 70.

7) Men lette ook op de beschrijving der kleeding en de afbeelding daarvan op het titelblad der vierde uitgave en de prenten, die in den zesden en latere drukken zijn opgenomen.