is toegevoegd aan uw favorieten.

Johann van Heemskerck 1597-1656

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

uitgegeven (1624), keerde hiermee tot zijn oude hef de terug en toonde metterdaad, dat het den voerman goed doet op zijn ouden dag het klappen van de zweep nog eens te hooren.*) Van Heemskerck's bewerkingen staan echter in ieder opzicht hooger, zoowel aesthetisch als zedelijk. Wat dit laatste betreft, heeft Westerbaen den Latijnschen dichter meer naar het leven gevolgd; Van Heemskerck daarentegen deed hem „wat eerlijcker spreken als hy wel eer in sijn eygen tael gewoon was". Dit ten bewijze, dat de onkieschheid, die in onze iye eeuw nog zoo opvallend is, niet op grond van den „tijdgeest" is te verontschuldigen, maar ten deele verklaard moet worden uit de persoonlijkheid van de schrijvers. Of was Van Heemskerck zijn tijd zóó ver vooruit?

De Minne-kunst. De Voor-reden aen de Nederlandtsche Jonckheydt luidt:

Lustige Mede-genooten van mijne groene jaren, en ghy die onder het dack van een statige bedaeghtheydt noch een jeughdigh hert huysvest, voor u is 't dat ick dese mallicheydtjes ten toon stelle, en niet voor de waen-wijse grimmers, die also haest als sy de jonckheyd verloren hebben, oock datelijck verliesen de geheughenisse van mede eens jongh geweest te zyn. Doch eer ghy verder gaet, so houd een weynigh stil, en hoord my eens een woord vijf ses spreken. Ick wil ter goeder trouwen handelen; en u voor eerst en voor al gewaerschouwt hebben, dat dese Minne-kunst mijn werck niet en is; de wijdberoemde rijmer Ovidius heeftse wel eer opsen Roomsch gesmeedt gehadt, en ick hebse nu opsen Hollands hersmeedt, deselve, so veel de stoffe heeft willen lijden, op de zeden van onse Eeuwe passende, en nae 's lands wijse buygende. Hy heeft Roomen voor sijn doel gekosen; ick kies' Amsterdam voor de myn; eensdeels om de beroemtheydt van dese machtighe Stadt, Roomen hier in niet heel ongelijck: andersdeels om dat ick, by gebreck van meerder gedienstigheydt, ten minsten dese eerbiedinge aen mijn geboortsplaetse schuldigh ben. Isser yet in dat u smaeckt, weet dat danck sijn Roomse aerdigheyd; isser oock yet in dat u walght, wijt dat mijn Hollandse bottigheyd; die van sijn goed Latijn quaed Duyts gemaeckt hebbe. Dan stelt daer wederom teghen, dat ick hem wat eerlycker doe

*) Seyt yemand, dat en was geen werck voor sulcke hayren, Dien sal ik seggen wat my daer aen dee vergaeren: Het doet een voerman goed noch in zijn ouden dagh Dat hy het klappen van de swiep eens hooren magh.

Aen den leser.