is toegevoegd aan uw favorieten.

Johann van Heemskerck 1597-1656

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Dan sullen maecken vreught de vrij-gevochte landen, En deur aen deur, om 't seerst, gepeckte tonnen branden. De soete jonghe jeught die swiert dan langs de straet, Nieusgierich om te sien al watter omme gaet, Ghy Minnaer voeght u strackx by die u best behagen, En stoutlijck antwoort geeft op 't geen sy van u vragen. Ja 't geen ghy niet en weet, als wel bekent, vertelt: Wat Stadt uyt 's Vijands juck in vrijheyt is gestelt, Wie daer 't gebieden had, hoe langh het swaer beleggen In als wel heeft geduurt; en wat voort valt te seggen Van stormen, van geschiet, van dooden, en de geen Die ons' gevangens sijn. *)

Westerbaen heeft dit aardige gedeelte van den Latijnschen tekst niet door een overeenkomstig voorbeeld vervangen. Hij gaat onmiddellijk over tot de laatste gelegenheid, waarnaar Ovidius de minnaars verwijst: de bruiloften en feestmaaltijden.

Cupido garen wil by droncken Bacchus zijn.

Het citaat is weer uit de Minne-kunst. Maar, voegt Van Heemskerck er aan toe:

Wat gae ick elcke plaets verhalen voort en voort.

Indien ick een voor een by d'ander wilde stellen, Ick sou veel eer aen strand de witte schelpjes tellen.

Hy vindse diese soeckt: dies sal ick 't daer by laten.

Na het vinden het winnen. Na Ovidius' minder gelukkige episode van Pasiphaë vertaald te hebben — Westerbaen laat deze passage weg — gaat Van Heemskerck in denzelfden luchtigen trant voort, Ovidius van vrij nabij volgend, maar wijzigend wat naar zijn inzien wijziging behoefde. Allereerst het bekende recept de kamenier om te koopen en haar als tusschenpersoon te gebruiken:

t' Geit hun de wagenhuur wie onder raeckt of boven, En die haer best beloont sy 't aldermeeste loven.

Voor al doet dan u best, wanneer 't het Meysje spijt Dat die haer Vrijer was nu weer een ander vrijt.

*) Ovidius:

Atque aliqua ex illis cum regum nomina quaeret,

quae loca, qui montes, quaeve ferantur aquae;

omnia responde: nee tantum si qua rogabit;

et quae nescieris, ut bene nota refer. (ys. 219—221).

7