is toegevoegd aan uw favorieten.

Johann van Heemskerck 1597-1656

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

reiken met het verzoek, de beide gedichten die daar op geschreven zijn, voor te lezen. Waermond willigt dit verzoek in, waarna Eerrijck — zonder dat een der aanwezigen verder een woord van waardeering heeft geuit — voortgaat met vertellen en den wensch uitspreekt, dat de Nederlandsche gewesten eenmaal door een wissen vrede uit den oorlog zullen worden verlost.

Ook het gedicht Lof van de Vryheyt1) draagt op geen enkele wijze tot de handeling bij en dient slechts ter afwisseling. Als zoodanig is het in den tweeden druk opgenomen. Evenals de beide zooeven besproken gedichten, is het een verheerlijking van de staatkundige vrijheid en een uiting van patriotisme, die beide zoo geheel bij den geest der Batavische Arcadia passen. Aesthetisch beschouwd, is het vers Op d'openingh des Ryns, door 't veroveren van Rynberck het beste van deze drie.

Van anderen aard zijn de overige gedichten in de Batavische Arcadia. Zij maken deel uit van de handeling of vloeien op eenigerlei wijze uit de handeling voort. Ook hier echter is het geen dwingende noodzaak, die den schrijver van den prozavorm tot het vers doet overgaan. Ook hier zijn de verzen een bijkomstigheid, die de stemming verhoogt; in het bijzonder doen dit de verzen, die worden gezongen en een uiting zijn van de opgewektheid der tochtgenooten. Hiertoe behooren het Vreughdeloos Vrijster-liedt, het Vreughdigh Vrouwenliedt*) en de liedjes, die door de jeugdige herders gezongen worden op de terugreis van Katwijk naar Den Haags); bij drie dezer laatste verzen is de melodie opgegeven. Eyenzoo past de Sangh van het geestige zangstertje goed in het verhaal. *)

Ook de andere versjes misstaan hier niet. Zoo het rijmpje op bladzijde 3, de citaten uit Cats,6) het Gedicht, dat de Meysjes haer tijt niet moeten laten verloren gaan, het Naemdicht op den naam Rosemond, het versje Kom kust my Meysje duysent-mael — vertaald naar Catullus *) — en, als men wil, ook het Lof-dicht ter eeren van de Lof-waerde Rosemond en het Klinck-dicht op de aengenaemheyt van een kus. Groote

*) Bat. Are. blz. 118-119.

2) Bat. Are. blz. 17 en 19.

3) Bat. Are. blz. 122 vgg,; reeds Schotel merkte op, dat het eerste dezer verzen een vertaling is van Hor. Carm. Lib. III ode IX.

«) Bat. Are. blz. 172.

s) Bat. Are. blz. 35 vgg.

•) Bat. Are. blz. 148 noot b.