is toegevoegd aan uw favorieten.

Johann van Heemskerck 1597-1656

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

schrijven van zijn proza zijn verzenverzameling nog eens doorzocht en een aantal gedichten uitgekozen, die naar zijn meening wel een plaats in de Batavische Arcadia konden vinden. Zoo ging het althans met het Vreughdeloos Vrijster liedt, dat we geciteerd vinden in een der reeds herhaalde malen genoemde brieven aan A. Colvius. In een aantal volzinnen, die we bijna woordelijk op blz. 2 der Batavische Arcadia terugvinden, *) raadt hij Juffrouw Antonia *) aan, in het huwelijk te treden, maar hij gevoelt, dat hij zich hiermee als vrijgezel vergaloppeerd heeft en vervolgt: „hola dit is buijten 't boeckje gepraet, bijsonder voor ons die vrij sijnde, de vrijheijt boven alles horen te achten, al waert maer gelijck de Vos die de druijven suur vont so langh hij die niet krijghen en kost.

Waer op ick niet langh geleden ten versoecke van een seecker soetertje dus danich een deuntje maeckte."

Hierna volgt de tekst van het Vreughdeloos Vrijster-liedt, dat onder den titel Cloris Antwoort ook in de Minne-kunst van 1626 is opgenomen. Slechts de vierde en vijfde strophe toonen eenig verschil.

1) „u schoonheyt, soo onmijdelijck in liefde te verwecken " enz.

De opvallende overeenkomst in beide teksten doet ons veronderstellen, dat Van Heemskerck de eerste bladzijden der Bat. Are. ongeveer gelijktijdig met dezen brief heeft geschreven. De brief is gedateerd: Utrecht, den 27"» Augusti 1626.

*) Klaarblijkelijk een dochter van Colvius. Zij en haar zuster Corneha heeten in dezen brief naar renaissance-stijl „de twee onvergelijckelijcke Susters daer Hollant me pronckt, en Venetien haer in verwondert."

11