is toegevoegd aan uw favorieten.

Johann van Heemskerck 1597-1656

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

kamer komen, sy haer soo sullen krabben en kratsen, dat hun heugen sal onder hare klaewen geweest te zijn" (blz. 92).

„ daer van hanght de pleytsack noch aen een spijcker"

(blz. 281).

„....heel Hollant; ja gantsch Neerlant in 't gemeen, souden daer van weten te spreecken; en u konnen seggen, dat de gront-slagh van u tegenwoordigh geluck, in de kalck van uwer Voor-ouderen bloet en tranen gemenght en gemetselt is geweest" (blz. 308).

„Gelijck het gemeenelijck gaet, wanneer de min-machtige aen haer machtiger vereenight werden: En d'aerde pot sich aen d'ysere komt te wrijven" (blz. 576).

We zijn hier wel ver verwijderd van het Euphuisme; even ver als een gedicht als dat Op d'openingh des Ryns, Door 't veroveren van Rynberck ons brengt van den geest van Marini.

Toch komt het mij voor, dat wij hier Van Heemskerck voor oogen hebben zooals hij werkelijk was: een man, die zich niet thuis voelde in het precieuze, omdat dit te ver af lag van het eenvoudige en-het oprechte, maar die zich aan het precieuze hechtte en er gebruik van maakte om zich te uiten, nu hem de gave ontbrak dit eenvoudiger te doen. Dat hij er niettemin in slaagt een goed sonnet te schrijven in den trant der Petrarquisten en leesbaar proza in den stijl van Lyly, getuigt misschien minder nog voor zijn gave, dan voor zijn goeden smaak, die in het opzettelijke toch het eenvoudige en genietbare wist te behouden. Bij Huygens beschouw ik den vernuftsstijl als een verfijning — gedeeltelijk oververfijning — van zijn poëzie, bij Van Heemskerck als een aanloopje om er te komen.

En is zoo ook het gebruik der pastorale niet te verklaren? Het exotische schijnt soms dichterbij te liggen dan het natuurlijke of inheemsche. Een romantraditie was er te onzent niet. Van Heemskerck schreef den eersten roman en was door zijn aanleg voorbeschikt om dit te doen in den trant van Van Effen. Voorshands was dit te moeilijk; daarom koos hij de pastorale. Deze bevredigde hem echter niet, waarop hij overging tot didactiek. Ook hierdoor werd zijn boek niet gered. Toen liet hij het werk steken en keerde zich af van de letterkunde. Huwelijksleven, stadsregeering en rechtspraktijk namen zijn tijd in beslag. Eenmaal nam hij echter nog de pen op om te schrijven: het werd een vertaling van le Cid.