is toegevoegd aan uw favorieten.

De landrente-belasting

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

van den aanslag noodig mocht blijken op de wijze aangegeven door de ordonnantie van Maart 1878, naar eigen inzichten te handelen, mits niet in strijd met de bedoelingen der Regeering. Het streven zou niet gericht mogen zijn op verhooging der landrente. In 1889 werd het denkbeeld overwogen, den aanslag in de landrente voor eenige jaren achtereen vast te stellen. Daaraan werd gevolg gegeven in In. St. 1890 No. 53, waarbij bepaald werd, dat de aanslag voor 1889 onveranderd voor de vier volgende jaren zou gelden. Na dien kwam in den aanslag slechts weinig verandering.

In 1889 werd in de Preanger een proef genomen met een landrentestelsel, door mr. H. Kuneman aanbevolen. Waaruit bestonden de werkzaamheden in de proef af deeling Tjiandjoer? Deze werkzaamheden waren tweeledig van aard: ze bestonden eenerzijds in het verzamelen van gegevens omtrent de uitgestrektheid der verschillende soorten van bouwgrond en het constateeren van de gemiddelde productie dier gronden en anderzijds in het instellen van de noodige onderzoekingen omtrent den economischen toestand der desa's en van haar onderdeelen, teneinde te kunnen beoordeelen, welk percentage aan belasting van de gronden geheven kon worden, zonder den landbouwers te zwaar te drukken of hinderpalen in den weg te stellen aan de ontwikkeling van den landbouw, terwijl omtrent den economischen toestand desasgewijze monografieën werden opgemaakt. De leiding dezer proefneming werd al spoedig opgedragen aan den inspecteur F. A. Liefrinck, die uiteraard een belangrijk aandeel heeft gehad in de totstandkoming van de Preanger-regeling van 1896. De landrentemetingen in het proefdistrict werden door het kadaster verricht. Met het oog hierop werden nieuwe voorschriften vastgesteld in de plaats van die van 1879. Sedert de opheffing in 1879 van de z.g. „statistieke opname", (ingesteld in 1864 met het doel de bouwgronden der Inlandsche bevolking op te meten en statistieke gegevens voor een juisten landrente-aanslag te verzamelen; naderhand bleek, dat de opmetingen niet betrouwbaar waren, weshalve tot de opheffing van dezen dienst werd overgegaan) was n.1. door een deel van het personeel van het kadaster getracht gegevens te verzamelen voor den aanslag der landrente, doch met weinig succes. En geen wonder! Want de werkzaamheden, die in hoofdzaak berekend waren voor het verkrijgen van een eigendoms-kadaster, vorderden niet alleen zeer langzaam, maar deden bovendien gegevens verkrijgen als gevolg van de technische eischen aan opmeting en kaarteering gesteld, die, hoe juist ze ook op zichzelf waren, minder geschikt voor de doeleinden van een landrenteheffing waren.

De nieuwe voorschriften behelsden een zoo eenvoudig mogelijke methode om de landrente-metingen te verrichten. Er werd niet naar gestreefd om ieder grondstuk afzonderlijk op te meten; de opmeting geschiedde n.1. bloksgewys, waarbij aaneen-