is toegevoegd aan uw favorieten.

De landrente-belasting

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

gesloten gronden van dezelfde soort en van dezelfde desa als één geheel beschouwd werden. De op deze wijze verkregen blokken werden door ambtenaren bij het B. B. geklassificeerd naar sommige factoren, die, zonder dat men in onmogelijke berekeningen van de productiekosten behoefde te vervallen, het middel moesten opleveren om de werkelijke voordeelen, die uit de bebouwing van den grond getrokken werden, bij benadering te bepalen en dienovereenkomstig het belasting-percentage te regelen. De btoksgewijze aanslag 5) was één der nieuwigheden van deze proefneming, want tot dusverre vond de aanslag öf desasgewijs öf individueel plaats. Een andere nieuwigheid met de voorgaande samenhangende was de „repartitie". Deze repartitie der landrente binnen de blokken of „perceelen" tusschen de verschillende deelgerechtigden zou zooveel mogelijk door hen zeiven plaats hebben, daarbij voorgelicht door commissiën, bestaande uit ambtenaren en beambten bij het B. B. en zoo noodig van het kadaster. Van de repartitie ^fwerd aanteekening gehouden in een kohier en elke belastingschuldige kreeg een uittreksel hieruit, zoodat hij wist, hoeveel hij persoonlijk aan landrente moest opbrengen.

Steunende op de goede uitkomsten van deze proefneming werd de ordonnantie van 6 Juli 1896 (Ind, St. No. 126) afgekondigd, houdende nieuwe bepalingen nopens den aanslag en de inning der landrente, welke uitsluitend bestemd was voor de Preanger-Regentschappen.

In 1907 kwam een landrente-ordonnantie tot stand voor de rest van Java en Madoera, met uitzondering der Vorstenlanden, die op geheel dezelfde beginselen berust en die in nagenoeg gelijkluidende artikelen is vervat (Ind. St. No. 2TT). Deze regeling zou, evenals de Preanger-regeiing (Ind. St. 1896 No. 126) geleidelijk worden ingevoerd en wel districtsgewijze. In het volgende hoofdstuk zal op deze regeling dieper worden ingegaan. In 1916 werd de ordonnantie van 1907 ook op de Preanger van toepassing verklaard. In 1918 is een voorloopige landrenteregeling vastgesteld voor de particuliere landerijen in het gewest Batavia, voor zoover die tot het 1 andsdomein zijn teruggekeerd of nader zullen terugkeeren. Deze regeling laat toe, dat bij den aanslag beneden het minimum landrente-percentage wordt gegaan, omdat er geen opmetingen, proefsnitten en economische opnemingen plaats vinden; de berekening van den aanslag geschiedt n.1. door den resident in overleg met de belastingplichtige bevolking. In 1921 is de landrenteregeling van 1907 in het geheele rechtstreeks bestuurde gedeelte van Java en MadOera ingevoerd- In 1927 werd de „Landrente-ordonnantie" (Ind. St. 1907 No. 277), die in den loop der jaren herhaaldelijk is gewijzigd en aangevuld, herzien o.m. ook in dier voege, dat haar werking zich mede uitstrekt tot de vischvijvers, bedoeld in de ordonnantie van 17 Jan. 1893 (Ind. St. No. 30). Haar bepalingen werden in de „Landrente-ordonnantie 1927*' (Ind. St. No.