is toegevoegd aan uw favorieten.

De landrente-belasting

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

kunnen worden, geschiedt de repartitie door bedoelde commissie.

Voor streken met communaal bezit met wisselende aandeelen (welke bezitsvorm in de Preanger-Regentschappen niet voorkomt, weshalve de volgende bepaling in de Preanger-regeling van 1896 niet was opgenomen) is een faciliteit toegelaten. Art 10 lid 3 immers bepaalt dat, wanneer in een desa of in een gehucht met zelfstandig landrenteplichtig areaal met nietblyvende aandeelen aan de repartitie-commissie daartoe het verlangen door minstens % der deelgerechtigden in het gemeentelijk grondbezit is kenbaar gemaakt, de repartitie voor het geheele bedrag van de belasting der landrenteplichtige gronden kan geschieden door de deelgerechtigden zeiven. Alsdan geldt deze repartitie voor niet langer dan voor den duur der verdeelingsperiode.

Voor elke desa afzonderlijk wordt dan van den uitslag der repartitie, evenals van den aanslag van elk geregistreerd perceel of perceelgedeelte, dat slechts aan één persoon toebehoort, in een kohier aanteekening gehouden.

15. ONTHEFFINGEN.

Het ligt geheel in het kader van het systeem der landrenteordonnantie, waarin aan de heffing der sawahvelden het karakter wordt toegekend van een belasting, die in haar beginselen een oogstbelasting nadert, dat ontheffing van landrente kan worden verleend. Deze ontheffing, die slechts op verzoek van belanghebbenden, ten volle of gedeeltelijk door den Directeur van Financiën op voorstel van den resident-afdeelingshoofd wordt verleend, kan het gevolg zijn van: I. het onbeplant zijn; II. beplanting uitsluitend met nagewas; III. misgewas; IV. voorzieningen van bijzonder bezwaarlijken of kostbaren aard, waardoor reeds landrenteplichtige gronden in een beteren cultuurtoestand worden gebracht; V. andere buitengewone en gewichtige redenen.

1. In navolging van de Preanger-regeling van 1896 geeft de „Landrente-ordonnantie" ontheffing tot het volle bedrag der landrente voor sawahs, die gedurende het geheele jaar onbeplant zijn gebleven. In de missive van den Gouvernementssecretaris van 5 Januari 1895 No. 22 80) werd gevraagd, of het wel goed gezien was, om elk stuk grond — ook wanneer dit aan traagheid of onverschilligheid van den bezitter moest worden toegeschreven — ontheffing van den aanslag te verleenen en of het niet wenschelijker zou wezen, om afschrijving van landrente wegens onbeplant blijven te beperken tot de gevallen, waarin deze tegemoetkoming werkelijk noodzakelijk was, wanneer dus bij niet verleening daarvan de belasting de draagkracht van het individu te boven zou gaan. Tegen dit laatste bezwaar, n.1. om bij het verleenen van remissie rekening te houden met de draagkracht van het individu, merkte de In-