is toegevoegd aan uw favorieten.

De landrente-belasting

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

de helft van de verschuldigde landrente. Het motief tot deze verlaging van het minimum is de omstandigheid, dat sedert de invoering van de „Landrente-ordonnantie" (Ind. St. 1907 No. 277) de waarde van het nagewas door de teelt van waardevolle handelsgewassen in tal van streken belangrijk is toegenomen, zoodat het niet gemotiveerd zou zijn het minimum der ontheffing op de helft te stellen in die gevallen, waar inderdaad waardevol nagewas is geteeld. M)

3. De mogelijkheid tot het verleenen van remissie bij deugdelijk geconstateerd misgewas was reeds in de regelingen vóór 1907 (met betrekking tot de Preanger-Regentschappen vóór 1896) geopend. Echter werd niet nader gepreciseerd, wat onder „misgewas" moest worden verstaan, hetgeen, gezien het geheel of nagenoeg geheel ontbreken van eenigszins betrouwbare statistische gegevens omtrent uitgestrektheid en productiviteit, niet zoo verwonderlijk is. Het behoeft dan ook geen betoog, dat deze vaagheid voortdurend tot allerlei kwesties en moeilijkheden aanleiding had gegeven. Een poging in 1880 34) aangewend, om in de verscheidenheid van opvattingen omtrent het begrip „misgewas" door voorschriften eenheid te brengen, mislukte. Deze mislukking — dit werd later 35) officieel niet ontkend — was niet in de laatste plaats toe te schrijven aan de bewoordingen dier regeling. Immers schreef zij voor, dat bij de beoordeeling van aanvragen om ontheffing van belasting de vraag op den voorgrond zou moeten staan, of het misgewas van dien aard was, dat bij niet-ver leening der gevraagde tegemoetkoming de aanslag de draagkracht der bevolking in het algemeen, m.a.w. de draagkracht der desa te boven zou gaan. Dit nu moest eenerzijds in vele gevallen hoogst onbillijk werken tegenover het individu, dat bij eventueelen tegenspoed in den oogst zijner velden de ondervonden schade moest dragen, zonder eenigen bijstand van de gemeenschap. Anderzijds werd men voor de groote moeilijkheid geplaatst te beslissen,, welk misgewas wei en welk niet geacht behoorde te worden de draagkracht der bevolking zoodanig op de proef te stellen, dat tot geheele of gedeeltelijke vermindering van landrente diende te worden overgegaan. Zoo werd ruimte gelaten aan allerlei interpretaties met het gevolg, dat 'hier bijv. een geschatte mindere opbrengst van één vijfde, daar één vierde en elders de-helft der normale productie den betrokkene voor belastingvermindering in aanmerking deed komen, nu eens het bedrag der remissie naar evenredigheid der geleden schade berekend werd, dan weer op grond van andere factoren, zooals persoonlijke omstandigheden, over de hoogte der ontheffing moest worden beslist. Begrijpelijk is, dat deze gang van zaken noch in het belang der belastingschuldigen zeiven was, noch strookte met de belangen van 's Lands schatkist. Evenwel besefte men maar al te goed, dat een rationeel stelsel van ontheffingen eerst dan mogelijk was, wanneer de landrente zelve naar betere grondslagen geregeld was. Dit nu is intusschen