is toegevoegd aan uw favorieten.

De landrente-belasting

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Het is de verdienste van Schelteina 1B), licht in dit duistere punt te hebben gebracht. Het bleek hem n.1. nader, dat als bovenste grens voor de „slechtheid" van den grond een padiproductie van 20 pikol werd aangenomen. Bedenkt men, dat de gemiddelde opbrengst voor geheel Java en Madoera over de periode 1921—1930 22,79 ») pikol bedraagt, dan kan geenszins ontkend worden, dat de grens van 20 pikol wel wat hoog genomen is. Verder viel, volgens Scheltema, uit het hem ter beschikking gestelde materiaal op te maken, dat er wel eenige afdeelingen waren, waar deelbouw op slechte gronden niet voorkwam. (Pemalang beneden de 15 pikol, Sidhoardjo, Soerabaja, Koedoes, Toeban, niet beneden de 15 pikol, Wlingi, Bangkaïan). Men liet daar deze gronden óf braak liggen öf bewerkte ze zelf. Voor Blora werd opgemerkt, dat deelbouw op slechte gronden heel zelden voorkwam, omdat er geen of niet genoeg liefhebbers voor waren.

De oplossing, die de „Landrente-ordonnantie 1927" (Ind. St. 1927 No. 163) met betrekking tot den aftrek van productiviteiten beneden 20 pikol, gegeven heeft, lijkt ons een goede te zrjn. Zooals bekend, is bij deze ordonnantie de aftrekformule in dien zin gewijzigd, dat als belastbare opbrengst per bouw wordt aangemerkt de geldswaarde van de productiviteit na een vermindering met 10 pikol, met dien verstande echter, dat die belastbare opbrengst nooit minder zal bedragen dan het geldswaardig bedrag van twee pikol padi per bouw. Ongeacht de productiviteit zal er dus van minstens 2 pikol padi per bouw landrente moeten worden betaald.

In dit verband moge een enkele opmerking gemaakt worden ten aanzien van de belastingvrijheid van het bestaansminimum, een punt, dat, zooals boven gezegd, door den heer Wellenstein werd aangeroerd en waarvan hij met betrekking tot de landrente een voorstander bleek te zijn van het vrijlaten van dit minimum, dat door hem op ƒ 80.— per bouw werd vastgesteld.

In het algemeen kan men onder het bestaansmimmicm verstaan het totaal der inkomsten van een subject, dat noodig is voor zijn levensonderhoud. De vraag, of dit bestaansminimum een onmeetbare dan wel een onmetelijke waarde heeft — een vraag, die door den heer Cohen Stuart in eerstgenoemden zin werd beantwoord in tegenstelling met den heer A. W. Mees, die van meening was, dat het bestaansminimum een onmetelijke waarde heef t 21) — kan hier in het midden gelaten worden. Daar het bestaansminimum een rekbaar begrip is, is het niet te verwonderen, dat het in verschillende tijden en bij verschillende volken in verschillenden zin wordt opgevat. Gemeenlijk brengt men het in verband met iemands draagkracht of draagvermogen. En het principe van belasting naar draagkracht of draagvermogen wordt tegenwoordig in alle moderne belastingwetgevingen, in de eene in meerdere, in de andere in mindere mate gehuldigd.